Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het aan hem ten laste gelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 14 mei 2024 de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van openlijk geweld in vereniging met lichamelijk letsel tot gevolg voor meerdere aangevers. Zowel de officier van justitie als de verdediging stelden dat het dossier onvoldoende bewijs bevatte om tot een veroordeling te komen.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs niet wettig en overtuigend was om vast te stellen dat verdachte het ten laste gelegde feit had begaan. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging. Vervolgens werden de schadevorderingen van de benadeelde partijen afgewezen omdat de vrijspraak betekende dat er geen grondslag was voor schadevergoeding.
De rechtbank wees ook de kostenveroordelingen toe ten gunste van verdachte, waarbij de benadeelde partijen niet-ontvankelijk werden verklaard in hun vorderingen. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken in een openbare zitting.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs; schadevorderingen worden afgewezen.