Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement, die door de heffingsambtenaar op € 550.000 werd vastgesteld per 1 januari 2022. De rechtbank beoordeelde of deze waarde te hoog was vastgesteld, waarbij werd gekeken naar de vergelijkingsmethode en referentiewoningen in hetzelfde complex.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport waarin de woning werd gewaardeerd op € 663.000 per 1 januari 2021, waarbij rekening werd gehouden met verschillen tussen referentiewoningen. Belanghebbende voerde onder meer aan dat de woning gedateerd is en verhuurd wordt, wat niet in het rapport was meegenomen.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde van € 663.000 niet te hoog was, maar ook dat belanghebbende zijn lagere waarde niet aannemelijk had gemaakt. Door rekening te houden met het gedateerde voorzieningenniveau werd de waarde verlaagd tot € 567.000, wat hoger is dan de vastgestelde waarde, zodat geen verlaging werd toegewezen.
Daarnaast kende de rechtbank belanghebbende een schadevergoeding van € 50 toe wegens een overschrijding van de redelijke termijn van circa drie maanden in de bezwaar- en beroepsfase. Ook werd een proceskostenvergoeding van € 218,75 toegekend aan belanghebbende.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en aanslag OZB gehandhaafd blijven.