ECLI:NL:RBZWB:2024:3519

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2024
Publicatiedatum
30 mei 2024
Zaaknummer
23/2921
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-besluitvorming proces-verbaal hoorzitting

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het proces-verbaal van een hoorzitting die plaatsvond op 28 november 2022 in het kader van een bezwaarprocedure over de ingangsdatum van een bijstandsuitkering. Het dagelijks bestuur van Baanbrekers heeft de bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in een besluit van 8 maart 2023, omdat het proces-verbaal volgens hen geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Eisers stelden dat het proces-verbaal onvolledig was en vermoeden dat de geluidsopname van de hoorzitting bewerkt is. Zij verzochten de rechtbank om onderzoek naar de opname. De rechtbank oordeelde echter dat het proces-verbaal geen besluit is omdat het niet gericht is op rechtsgevolgen, maar slechts een schriftelijke vastlegging van de hoorzitting betreft. Ook de geluidsopname kan geen besluit zijn omdat deze niet schriftelijk is.

De rechtbank concludeerde dat Baanbrekers terecht de bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van bezwaren tegen het proces-verbaal is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2921 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2024 in de zaak tussen

[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), uit [plaats] ,

hierna gezamenlijk aangeduid als eisers,
en
het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers(Baanbrekers), verweerder.

Inleiding

1. Baanbrekers heeft op 28 november 2022 in het kader van een bezwaarprocedure een proces-verbaal van een hoorzitting opgemaakt. In een besluit van 8 maart 2023 (bestreden besluit) heeft Baanbrekers de bezwaren van eisers tegen dit proces-verbaal kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2024 op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaken onder procedurenummers 23/2420, 23/730 en 24/113 PW. Eisers zijn verschenen. Baanbrekers werd vertegenwoordigd door [naam] .
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden
2. Tijdens een bezwaarprocedure over – onder meer – de ingangsdatum van een bijstandsuitkering heeft op 28 november 2022 een hoorzitting plaatsgevonden. Baanbrekers heeft een proces-verbaal van deze hoorzitting opgemaakt, en ook is tijdens de hoorzitting een geluidsopname gemaakt. In het bestreden besluit heeft Baanbrekers de bezwaren van eisers tegen het proces-verbaal van de hoorzitting kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het proces-verbaal niet zou kunnen worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
Het standpunt van eisers
3. Volgens eisers zijn hun bezwaren tegen het proces-verbaal van 28 november 2022 ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Zij stellen dat het proces-verbaal niet compleet is, omdat een aantal belangrijke uitlatingen daarin niet zijn opgenomen. Eisers vermoeden ook dat de aan hen toegezonden geluidsopname van het proces-verbaal is bewerkt, en hebben de rechtbank verzocht om deze opname te onderzoeken.
Beoordeling door de rechtbank
4. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke handeling van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is volgens de wetgever een handeling die gericht is op enig rechtsgevolg. Een beslissing heeft rechtsgevolg als zij er op is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, of een juridisch status van een persoon of een zaak vast te stellen.
5. Naar het oordeel van de rechtbank stelt Baanbrekers zich terecht op het standpunt dat het proces-verbaal van de hoorzitting van 28 november 2022 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het proces-verbaal is namelijk niet gericht op enig rechtsgevolg, en is – zoals ook opgemerkt door Baanbrekers – enkel bedoeld ter vastlegging van hetgeen tijdens de hoorzitting is besproken. De rechtspositie van eisers tegenover Baanbrekers is door het opgemaakte proces-verbaal dan ook niet gewijzigd. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de geluidsopname van de hoorzitting evenmin kan worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, reeds omdat deze opname geen schriftelijke vorm heeft. De rechtbank zal dan ook niet treden in een beoordeling van de betrokken geluidsopname.

Conclusie en gevolgen

6. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat Baanbrekers de bezwaren tegen het proces-verbaal van de hoorzitting van 28 november 2022 terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier op 22 mei 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.