ECLI:NL:RBZWB:2024:3617
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling minister na toewijzing paspoortaanvraag minderjarige
Verzoeker diende een aanvraag in voor een Nederlands paspoort voor een minderjarige, welke door de minister op 30 oktober 2019 niet in behandeling werd genomen. Na bezwaar verklaarde de minister dit bezwaar op 13 augustus 2020 ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de zitting op 28 september 2021 werd het onderzoek geschorst om nadere stukken te overleggen en de minister de mogelijkheid te geven te onderzoeken of erkenning van het kind als biologische vader in de Filipijnen mogelijk was.
Op 1 september 2023 nam de minister een nieuw besluit waarin het bezwaar van verzoeker werd gegrond verklaard en werd besloten dat aan de minderjarige een Nederlands paspoort kan worden verstrekt. Hierop trok verzoeker het beroep in en verzocht om proceskostenveroordeling van de minister.
De rechtbank oordeelt dat de minister aan verzoeker is tegemoetgekomen door het bezwaar gegrond te verklaren en het verstrekken van het paspoort mogelijk te maken. Daarom wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.750,- en wordt verzoeker geadviseerd het betaalde griffierecht van €178,- te verhalen op de minister. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 3 juni 2024.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van €1.750,- aan proceskosten aan verzoeker na toewijzing van het bezwaar.