Belanghebbende, opgericht in oktober 2020, zette werkzaamheden voort van een eenmanszaak waarbij oudere werknemers in dienst waren die aanspraak maakten op loonkostenvoordeel (LKV). De inspecteur kende voor het jaar 2021 echter geen LKV toe voor deze werknemers na de overgang van de onderneming.
De rechtbank behandelde het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur, waarbij partijen erkenden dat de Hoge Raad op 24 mei 2024 een arrest zou wijzen over de toepassing van de WTL bij overgang van een onderneming. Dit arrest werd betrokken in de beoordeling zonder heropening van het onderzoek.
De Hoge Raad oordeelde dat de situatie van overgang van een onderneming gelijkgesteld moet worden aan het ongewijzigd voortbestaan van de dienstbetrekking met de oorspronkelijke werkgever. De rechtbank concludeerde dat belanghebbende daarom recht heeft op het LKV voor de betreffende oudere werknemers.
De inspecteur werd opgedragen een nieuwe berekening te maken van het recht op LKV. Tevens werd de uitspraak op bezwaar vernietigd, het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende toegekend. De rechtbank wees het bezwaar gegrond en bepaalde dat de inspecteur binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen.