ECLI:NL:RBZWB:2024:3632

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juni 2024
Publicatiedatum
3 juni 2024
Zaaknummer
BRE 23/10151
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en FrankrijkArt. 19 Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en Frankrijk
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling belastingheffing pensioenuitkering ABP deels opgebouwd in publiek- en privaatrechtelijke dienstbetrekking

Belanghebbende, woonachtig in Frankrijk, kreeg voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd door de Nederlandse inspecteur over een deel van zijn ABP-pensioenuitkering. De inspecteur had de uitkering gesplitst in een publiekrechtelijk en een privaatrechtelijk deel op basis van diensttijdoverzicht en belastte het publiekrechtelijke deel in Nederland. Belanghebbende voerde aan dat de gehele uitkering in Frankrijk was belast en dat dubbele heffing hierdoor ontstond, wat in strijd zou zijn met het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk.

De rechtbank oordeelde dat het belastingverdrag Nederland toestaat het publiekrechtelijke deel van de pensioenuitkering te belasten, ongeacht welk land eerst aanslag oplegt. De splitsing van de uitkering op basis van diensttijd werd als correct beoordeeld, omdat belanghebbende geen concrete onderbouwing gaf voor een andere verdeling. De stelling dat de berekening actuarieel onjuist zou zijn, werd verworpen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde dat de aanslag, zoals verminderd na bezwaar, juist is. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding. De uitspraak is openbaar en kan binnen zes weken worden bestreden bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de Nederlandse aanslag over het publiekrechtelijke deel van de ABP-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10151

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (Frankrijk), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 26 september 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.383.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gedeeltelijk gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.169.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en
[inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de pensioenuitkering van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (de ABP-uitkering) terecht deels in Nederland is belast. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur het publiekrechtelijke deel van de ABP-uitkering terecht en tot het juiste bedrag in de Nederlandse belastingheffing betrokken
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende woont in het jaar 2019 in Frankrijk.
3.1.
In dat jaar heeft belanghebbende (onder meer) een ABP-uitkering ontvangen van € 22.766.
3.2.
De Franse belastingdienst heeft op 22 september 2022 een aanslag vastgesteld. In die aanslag is volgens belanghebbende de gehele ABP-uitkering, overeenkomstig de door belanghebbende aldaar ingediende aangifte, in de heffing betrokken.
3.3.
In de Nederlandse aangifte en in de dienovereenkomstig vastgestelde aanslag met dagtekening 7 oktober 2022, is de ABP-uitkering voor 50% (€ 11.383) tot het in Nederland belastbare inkomen gerekend.
3.4.
In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur, aan de hand van een door belanghebbende overgelegd diensttijdoverzicht, de ABP-uitkering tot een bedrag van € 11.169 (49,06% van de ABP-uitkering) in de Nederlandse belastingheffing betrokken. Uit het diensttijdoverzicht volgt dat de pensioenuitkering deels toerekenbaar is aan een publiekrechtelijke arbeidsverhouding (van 1 augustus 1984 tot 1 augustus 1996) en deels aan een privaatrechtelijke arbeidsverhouding (van 1 augustus 1996 tot 1 februari 2009).

Overwegingen

4. Belanghebbende stelt dat hij in 2019 over de gehele ABP-uitkering in Frankrijk inkomstenbelasting heeft betaald. Omdat de Franse aanslag eerder is opgelegd dan de Nederlandse aanslag, had de inspecteur de ABP-uitkering in het geheel niet in Nederland in de belastingheffing mogen betrekken. Omdat Nederland wel over een deel van de ABP-uitkering inkomstenbelasting heft, is sprake van dubbele heffing en dat is in strijd met het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en Frankrijk [1] (het Verdrag). Volgens belanghebbende is de splitsing van de ABP-uitkering naar evenredigheid van het aantal jaren in overheidsdienst en particuliere dienst actuarieel onjuist. In Frankrijk wordt geen splitsing gemaakt en is 100% van de ABP-uitkering belast. Belanghebbende acht dat juist. Verder heeft de inspecteur te lang gewacht met het opleggen van de aanslag 2019 en is belanghebbende daardoor in de knel gekomen met het doen van aangifte in Frankrijk. Belanghebbende stelt tot slot dat hij geen onderlinge overlegprocedure wil starten, omdat dat te lang duurt.
4.1.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt voorop dat op grond van het Verdrag als hoofdregel Frankrijk bevoegd is om belasting te heffen over pensioenuitkeringen betaald aan inwoners van Frankrijk. Dat is bepaald in artikel 18 van Pro het Verdrag. In artikel 18 is Pro echter een voorbehoud gemaakt voor de bepalingen in artikel 19. En in artikel 19 staat Pro kortgezegd dat (in deze situatie) Nederland belasting mag heffen over het publiekrechtelijke deel van pensioenuitkeringen. Dat betekent dat, anders dan belanghebbende stelt, het Verdrag niet in de weg staat aan heffing in Nederland over het publiekrechtelijke deel van de ABP-uitkering. Het maakt niet uit welk land als eerste een aanslag oplegt en of in het andere land inkomstenbelasting is geheven. Of de inspecteur eerder een aanslag had kunnen opleggen is ook niet van belang.
4.2.
De ABP-uitkering dient gelet op de bepalingen in het Verdrag gesplist te worden in een privaatrechtelijk en een publiekrechtelijk deel. De inspecteur heeft die splitsing tijdsevenredig [2] gemaakt aan de hand van het door belanghebbende overgelegde diensttijdoverzicht. De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding om niet van die berekening uit te gaan. De enkele stelling, zonder nadere onderbouwing, dat de berekening actuarieel onjuist is, kan niet leiden tot een ander oordeel. Er zijn geen gegevens overgelegd die een andere verdeling ondersteunen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag, zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar, juist is. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van de Langerijt-Suurmeijer, griffier, op 3 juni 2024, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen 1973, Parijs 16 maart 1973, trb1973 nr. 83.
2.Hoge Raad 12 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:BH8209 en Hoge Raad 8 juli 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1838.