ECLI:NL:RBZWB:2024:3652

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2024
Publicatiedatum
4 juni 2024
Zaaknummer
23/11768
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Josten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 4.4 WooArt. 8:41 AwbAfdeling 8.2.3 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens intrekken na beslissing minister op Woo-verzoek

Eiser heeft op 10 december 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Economische Zaken en Klimaat op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). De rechtbank heeft dit beroep versneld behandeld en op 14 mei 2024 zitting gehouden.

De minister heeft op 6 mei 2024, na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van vier weken, alsnog een beslissing genomen op het Woo-verzoek. Hierdoor is het procesbelang van eiser in het beroep tegen het niet tijdig beslissen komen te vervallen. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.

De rechtbank oordeelt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht moet vergoeden, omdat het beroep was ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken, mede omdat eiser zich pas vanaf 24 april 2024 door een rechtsbijstandverlener liet bijstaan en de gemachtigde van eiser nodeloos op zitting is verschenen. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de minister wordt opgedragen het griffierecht te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de minister moet het betaalde griffierecht vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/11768 WOO

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

gemachtigde mr. H.H.M. Kirazli
en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser op 10 december 2023 heeft ingesteld omdat de minister volgens hem niet tijdig heeft beslist op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) van 14 oktober 2023.
1.1.
De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en mr. M.A.G. Stolker en [naam] namens de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.
2.1.
Op grond van artikel 4.4, eerste lid, van de Woo beslist het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen
3. Niet in geschil is dat de minister op 6 mei 2024, na het verstrijken van de in de Woo neergelegde beslistermijn, op eisers Woo-verzoek heeft beslist.
3.1.
Nu de minister inmiddels op het verzoek heeft beslist is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep met betrekking tot het niet tijdig beslissen. Het beroep is dan ook niet-ontvankelijk.
Griffierecht en proceskosten
4. Omdat eiser beroep heeft ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing en de minister op dat moment ook nog geen beslissing had genomen, dient de minister het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.
4.1.
Ten aanzien van het verzoek om proceskostenveroordeling overweegt de rechtbank dat eiser zich vanaf 24 april 2024 heeft laten bijstaan door een beroepsmatig rechtsbijstandverlener. Het beroep vanwege niet tijdig beslissen door de minister heeft eiser zelf op 10 december 2023 ingediend, zodat hier geen proceskosten voor kunnen worden toegekend.
4.2.
De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 7 mei 2024 geïnformeerd over de beslissing van de minister van 6 mei 2024. De gemachtigde van eiser is verzocht om binnen drie dagen bij de rechtbank aan te geven of hij het wel of niet eens is met het besluit. De gemachtigde heeft niet gereageerd op deze brief. De griffier van de rechtbank heeft op 10 en 13 mei 2024 geprobeerd telefonisch contact met de gemachtigde van eiser te krijgen. De voicemail van de gemachtigde is ingesproken waarbij de gemachtigde is verzocht om aan te geven of hij het beroep wenst te handhaven. Hierop heeft de gemachtigde van eiser ook niet gereageerd.
4.3.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd aangegeven dat het belang van de procedure uitsluitend nog is gelegen in het toekennen van een proceskosten-veroordeling en vergoeding van het griffierecht.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat de gemachtigde van eiser nodeloos op zitting is verschenen. De rechtbank wijst erop dat de minister bij intrekking van het beroep verplicht was het betaalde griffierecht te vergoeden. [1] Naar aanleiding van de communicatie vanuit de rechtbank had de gemachtigde van eiser het beroep in kunnen trekken, met daarbij een verzoek om vergoeding van de proceskosten. Gelet op het vorenstaande zal er geen veroordeling in de proceskosten worden uitgesproken voor het verschijnen van de gemachtigde ter zitting.

Conclusie

5. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- draagt de minister op om het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. Vermunt, griffier, op 4 juni 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.