Verzoekers maakten bezwaar tegen een omgevingsvergunning die door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele was verleend voor de bouw van een schuur op een perceel met woonbestemming. Zij stelden dat de schuur niet voldeed aan de beeldkwaliteitscriteria van het bestemmingsplan, met name dat de schuur niet ondergeschikt zou zijn aan de woning en dat het kleur- en materiaalgebruik niet passend zou zijn.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het bestemmingsplan geen definitie gaf van 'ondergeschikt', maar dat dit begrip volgens het spraakgebruik moet worden uitgelegd als minder belangrijk of bijkomstig. Het college had advies ingewonnen bij de dorpsbouwmeester, die oordeelde dat de schuur qua vorm, plaatsing en materiaalgebruik passend en ondergeschikt was aan de woning. Verzoekers brachten contra-adviezen in, maar de voorzieningenrechter vond de adviezen van de dorpsbouwmeester voldoende zorgvuldig en evenwichtig.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college het besluit op goede gronden in stand had gelaten en dat de schuur binnen de toegestane omvang viel. Het verzoek om een deskundige te benoemen werd afgewezen omdat de voorzieningenrechter zelf over de uitleg van het begrip 'ondergeschikt' kan oordelen en er geen aanwijzingen waren voor formele of materiële gebreken in het besluit.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Verzoekers kregen geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak werd gedaan door mr. S. Hindriks op 26 januari 2024.