AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling premie-inkomen en aftrek arbeidsongeschiktheidsverzekeringen bij kwalificerende buitenlandse belastingplichtige
Belanghebbende, woonachtig in België en werkzaam in Nederland, maakte bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2016 en 2017. De inspecteur had het belastbaar inkomen en premie-inkomen vastgesteld inclusief volledige levensloopuitkering en zonder aftrek van premies arbeidsongeschiktheidsverzekering vanwege het ontbreken van inkomensverklaringen.
De rechtbank oordeelt dat de aanslagen niet te hoog zijn vastgesteld. De premies voor arbeidsongeschiktheidsverzekering komen op grond van het Unierecht niet in aanmerking voor aftrek, mede omdat belanghebbende niet voldoet aan de 90%-eis voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtige en geen inkomensverklaringen heeft overgelegd. De vergelijking met niet-werkenden die pensioen en levensloopuitkering ontvangen is niet relevant vanwege het werklandbeginsel in EU-verordening 883/2004.
De rechtbank past de Schumacker-doctrine toe en volgt het richtsnoer van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Belanghebbende heeft deels recht op een verhoudingsgewijze tegemoetkoming, maar deze wordt begrensd door de belasting die een ingezetene in vergelijkbare omstandigheden zou betalen. Omdat belanghebbende minder belasting verschuldigd is dan een ingezetene, bestaat geen recht op vermindering. De beroepen worden daarom ongegrond verklaard en de belastingrente blijft ongewijzigd.
Uitkomst: De beroepen van belanghebbende tegen de aanslagen IB/PVV 2016 en 2017 worden ongegrond verklaard.
Voetnoten
1.Het wereldinkomen van € 47.079 is het totaal van het in Nederland en het in België belaste inkomen van respectievelijk € 40.783 en € 6.296.
2.Het (gezamenlijke) wereldinkomen van € 57.168 is het totaal van het in Nederland belaste inkomen van belanghebbende van € 48.633 en in België belaste inkomen van belanghebbende van € 6.974. Tevens is rekening gehouden met in Nederland belastbare inkomen van zijn echtgenote van € 1.561.
3.Zie onder meer het arrest van 14 februari 1995, Schumacker, C279/93, EU:C:1995:31, punten 31 tot en met 38.
4.HvJ EU 9 februari 2017, X, ECLI:EU:C:2017:102, punt 33.
5.HvJ EG 1 juli 2004, Wallentin, ECLI:EU:C:2004:403 en HvJ EG 25 januari 2007, Meindl, ECLI:EU:C:2007:57.
7.Het in 2016 effectief in België belaste inkomen (€ 6.296) is 10,57% van het naar Belgische maatstaven berekende wereldinkomen van belanghebbende en zijn partner van € 59.586 (zijnde € 48.576 + € 11.010).
8.Artikel 52, aanhef en onder 100 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992).
9.Zie Hoofdstuk III WIB 1992, Afdeling I (Gewoon stelsel van aanslag) en Afdeling II (Bijzondere stelsel van aanslag).
10.Bestaande uit het inkomen uit Nederland van € 48.633 en uit België van € 6.974.
11.artikel 30fc, tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).