Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 4 juni 2024 van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[betrokkene], betrokkene,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene, een persoon met een zware vorm van het down syndroom, ontving sinds 2015 een persoonsgebonden budget (pgb). Het zorgkantoor beëindigde het pgb per 1 april 2023 en stelde het budget over 2021 en 2022 lager vast, waarna het teveel betaalde bedrag werd teruggevorderd. Eiseres, als bewindvoerder, voerde aan dat de zorgverleners wel degelijk zorg hadden verleend en dat het zorgkantoor zich niet mocht baseren op bepaalde verklaringen en politieonderzoeken.
De rechtbank oordeelde dat het zorgkantoor zorgvuldig onderzoek had verricht, inclusief hoor en wederhoor, en dat de onderzoeksbevindingen voldoende waren om te concluderen dat de pgb-verplichtingen waren geschonden. De verklaringen van eiseres en de zorgverleners tegenover de politie waren niet betrouwbaar en er was onvoldoende bewijs dat kwalitatief verantwoorde zorg was geleverd.
Verder was het zorgkantoor bevoegd het pgb te beëindigen en het budget lager vast te stellen op grond van de relevante wet- en regelgeving. De belangenafweging van het zorgkantoor werd als redelijk beoordeeld. Ook was de termijn van beëindiging redelijk en was er geen onredelijkheid of onbillijkheid van overwegende aard. De proceskostenvergoeding was correct vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige controle op de rechtmatigheid van pgb-besteding en de bevoegdheid van het zorgkantoor om bij schendingen in te grijpen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging en terugvordering van het pgb wordt bevestigd.