ECLI:NL:RBZWB:2024:386
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep naheffingsaanslag accijns
Belanghebbende B.V. heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 september 2023, waarin het beroep tegen een naheffingsaanslag accijns met boete niet-ontvankelijk werd verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. De rechtbank heeft het verzet op 12 januari 2024 behandeld en beoordeelt of het eerdere eindoordeel terecht was.
De kern van het geschil betreft de vraag of de uitspraak op bezwaar tijdig en op juiste wijze aan belanghebbende is bekendgemaakt. De uitspraak op bezwaar werd per e-mail van 29 april 2021 aan de voormalig adviseur van belanghebbende verzonden, terwijl belanghebbende betwist de postbezorging ervan te hebben ontvangen. Volgens belanghebbende is de uitspraak pas op 4 januari 2022 via e-mail bekend geworden.
De rechtbank oordeelt dat het eerdere vonnis niet buiten redelijke twijfel staat, mede gelet op een arrest van de Hoge Raad van 25 mei 2018 waarin werd bepaald dat de uitspraak op bezwaar per post bekend moet worden gemaakt. Omdat de inspecteur geen bewijs van verzending per post heeft geleverd, wordt het verzet gegrond verklaard. Hierdoor vervalt de eerdere buiten-zittinguitspraak en wordt het onderzoek hervat in de stand van voor die uitspraak.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op € 875 voor de behandeling van het verzet.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vernietigd; het onderzoek wordt hervat en de inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten.