ECLI:NL:RBZWB:2024:393

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 januari 2024
Publicatiedatum
26 januari 2024
Zaaknummer
BRE 23-1171
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:74 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens schending hoorplicht bij parkeerbelasting naheffing

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting en de daarop volgende uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg. De rechtbank onderzoekt of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en of de hoorplicht in bezwaar is nageleefd.

De heffingsambtenaar erkent dat de hoorplicht is geschonden doordat uitnodigingen voor de hoorzitting niet naar het juiste e-mailadres zijn verzonden, waardoor belanghebbende onterecht niet is gehoord. De rechtbank volgt deze conclusie en verklaart het beroep kennelijk gegrond. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de heffingsambtenaar voor een nieuwe beslissing met inachtneming van de uitspraak.

Daarnaast kent de rechtbank een proceskostenvergoeding toe van €437,50 voor de juridische bijstand in de beroepsfase, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht met een lichte wegingsfactor. Ook dient de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van €50 aan belanghebbende te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier N. Plasman op 26 januari 2024.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht en de zaak wordt terugverwezen naar de heffingsambtenaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/1171

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en

De heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 1 november 2022. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Tussen partijen is in geschil of het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in verband met het ontbreken van de motivering en of de hoorplicht is geschonden.
3. De heffingsambtenaar heeft de rechtbank bij brief van 12 juni 2023 laten weten dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden. De uitnodigingen voor het houden van een hoorzitting zijn niet naar het juiste e-mailadres verzonden. Daardoor is belanghebbende ten onrechte niet gehoord. De heffingsambtenaar concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en verzoekt de zaak terug te wijzen naar de heffingsambtenaar om het bezwaar opnieuw in behandeling te nemen.
4. De rechtbank volgt de conclusie van de heffingsambtenaar. Nu het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, moet het beroep kennelijk gegrond worden verklaard en moet de zaak teruggewezen worden naar de heffingsambtenaar om een nieuwe beslissing te nemen.
Proceskostenvergoeding en griffierecht
5. De rechtbank ziet aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. Gelet op de aard van de zaak zal de wegingsfactor 0,5 (licht) worden toegepast.
6. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten voor juridische bijstand in de beroepsfase vast op € 437,50. Dit bedrag is gebaseerd op toepassing van het tarief dat is vermeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,5). Voor een vergoeding van kosten voor bezwaar is in dit stadium van de procedure geen plaats, omdat teruggewezen wordt en de bezwaarprocedure nog niet is afgerond.
7. De heffingsambtenaar dient ook op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt de heffingsambtenaar op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten ten bedrage van € 437,50;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 aan deze vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 26 januari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.