Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 7 juni 2024 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van het tezamen en in vereniging uitvoeren, vervoeren dan wel aanwezig hebben van 3.823,65 gram cocaïne. De officier van justitie stelde dat verdachte medepleger was van de verlengde uitvoer van de drugs.
Tijdens de zitting op 24 mei 2024 werden de standpunten van de officier van justitie en de verdediging besproken. De verdediging betoogde dat er onvoldoende bewijs was om verdachte te verbinden aan het ten laste gelegde feit. De rechtbank oordeelde dat verdachte als passagier in de auto zat waarin een verborgen ruimte met cocaïne was, maar dat er geen bewijs was dat hij hiervan op de hoogte was of beschikkingsmacht had over de drugs.
De telefoongegevens van verdachte boden geen aanknopingspunten voor wetenschap, en het enkele contact met de bestuurder was onvoldoende. Ook ontbraken uitvoeringshandelingen die verdachte met de drugs in verband brachten. De verklaring van verdachte over zijn verblijf en aanwezigheid in de auto was weinig aannemelijk, maar onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van wetenschap en beschikkingsmacht over de cocaïne.