Op 10 februari 2024 werd verdachte staande gehouden op de A16 nabij de grens met België. In een verborgen ruimte onder de achterbumper van de auto werden 3.823,65 gram cocaïne aangetroffen. Verdachte verklaarde dat hij de auto al drie maanden in bezit had en dat de auto van een derde was, die geen rijbewijs zou hebben.
De rechtbank oordeelde dat verdachte wetenschap had van de drugs in de auto, mede gelet op de korte verblijfsduur in Nederland en het frequente telefonische contact met een derde tijdens de heen- en terugreis. Verdachte gaf tegenstrijdige verklaringen over zijn verblijfplaatsen en de eigenaar van de auto, wat zijn onschuld ongeloofwaardig maakte.
De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan de verlengde uitvoer van cocaïne, waarbij het vervoer met bestemming buitenland werd vastgesteld. De strafbaarheid werd bevestigd, zonder dat strafuitsluitingsgronden werden gevonden.
De officier van justitie vorderde 42 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 voorwaardelijk, maar de rechtbank legde een gevangenisstraf van 30 maanden op, rekening houdend met de strafrechtelijke oriëntatiepunten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat het om één autorit ging. De straf zal onvoorwaardelijk worden uitgevoerd met aftrek van voorarrest.