ECLI:NL:RBZWB:2024:3958

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 mei 2024
Publicatiedatum
11 juni 2024
Zaaknummer
BRE 22/4504, 22/4505, 22/4506, 22/4507 en 22/4508
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging aanslagen riool- en afvalstoffenheffing wegens onjuistheid gebruiker

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing opgelegd voor de jaren 2018 tot en met 2022 door de heffingsambtenaar van de gemeente Vlissingen. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren ongegrond verklaard, waarna belanghebbende in beroep is gegaan bij de rechtbank.

Tijdens de zitting heeft de heffingsambtenaar erkend dat belanghebbende niet als gebruiker van het perceel kan worden aangemerkt en heeft voorgesteld de aanslagen te vernietigen. De rechtbank heeft dit voorstel overgenomen en de aanslagen vernietigd.

Daarnaast heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase. De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn met circa 21 maanden is overschreden, waarvan 12 maanden voor rekening van belanghebbende komen vanwege zijn verzoeken om uitstel en medewerking. De resterende negen maanden leiden tot een schadevergoeding van €100, waarvan €11,11 voor rekening van de heffingsambtenaar komt en €88,89 voor rekening van de Staat der Nederlanden.

Tot slot is de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter J.P.A. Boersma en griffier R.P.H. Bukkems op 15 mei 2024.

Uitkomst: De aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing 2018-2022 zijn vernietigd en belanghebbende ontvangt een schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/4504, 22/4505, 22/4506, 22/4507 en 22/4508
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende]uit [plaats 1] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Vlissingen, de heffingsambtenaar,
en
de
Staat der Nederlanden(de minister van Justitie en Veiligheid).

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 9 september 2022.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het gebruik van het perceel [adres] te [plaats 2] aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing opgelegd voor de jaren 2018 tot en met 2022 met de volgende aanslagnummers: [aanslagnummer 1] (2018), [aanslagnummer 2] (2019), [aanslagnummer 3] (2020), [aanslagnummer 4] (2021) en [aanslagnummer 5] (2022).
1.3.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 29 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de heffingsambtenaar deelgenomen [naam] . Belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats 2] .

3.Beoordeling door de rechtbank

3.1.
Ter zitting heeft de heffingsambtenaar na bespreking vaan de feiten en omstandigheden aangegeven dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als gebruiker en dat de onder 1.2 genoemde aanslagen moeten worden vernietigd.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
3.2.
Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De heffingsambtenaar heeft ter zitting aangegeven dat belanghebbende uitstel heeft gevraagd voor de motivering van zijn bezwaren, vaak heeft aangegeven dat hij niet beschikbaar was voor een bespreking van zijn bezwaren en dat uiteindelijk een inpandige opname heeft plaatsgevonden.
3.3.
De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft het oudste bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 24 augustus 2020. De rechtbank doet uitspraak op 15 mei 2024, waarmee de redelijke termijn is overschreden met afgerond 21 maanden. Belanghebbende heeft in dit bezwaarschrift (en ook later) verzocht om hem een termijn te geven om nadere gronden in te dienen, er heeft een hoorzitting/inpandige opname plaatsgevonden op 16 mei 2022 en nadien heeft belanghebbende een aantal malen verzocht om een nadere termijn voor het geven van een reactie op een voorgenomen uitspraak (verzonden op 13 juli 2022). Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding 12 maanden overschrijding in de bezwaarfase voor rekening van belanghebbende te laten komen en daarmee komt de te compenseren overschrijding uit op negen maanden.
3.4.
Voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn in gevallen waar sprake is van een waardebepaling in het kader van de Wet WOZ, dan wel van aanslagen opgelegd door een heffingsambtenaar ziet de rechtbank aanleiding de omvang van deze vergoeding te bepalen op € 50 per (gedeelte van een) half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarbij acht de rechtbank bepalend dat het financiële belang in de regel minder is dan een bedrag van € 500 en de veronderstelde spanning en frustratie een vergoeding tot ten hoogste € 50 per half jaar overschrijding rechtvaardigt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende dan ook recht op een schadevergoeding van € 100.
3.5.
De bezwaarfase is geëindigd met de uitspraak van 9 september 2022. De bezwaarfase heeft afgerond 19 maanden geduurd en (rekening houdend met het beschrevene onder 3.3) uiteindelijk één maand te lang.
3.6.
Dit brengt mee dat 1/9 deel (€ 11,11) voor rekening van de heffingsambtenaar komt en de rest (€ 88,89) voor rekening van de Staat der Nederlanden. De Staat is daarom in zoverre aangemerkt als partij in dit geding.

4.Conclusie en gevolgen

4.1.
Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing voor de jaren 2018 tot en met 2022 met aanslagnummers [aanslagnummer 1] (2018), [aanslagnummer 2] (2019), [aanslagnummer 3] (2020), [aanslagnummer 4] (2021) en [aanslagnummer 5] (2022) dienen te worden vernietigd.
4.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;
  • vernietigt de aanslagen rioolheffing gebruiker over de belastingjaren 2018 t/m 2022;
  • vernietigt de aanslagen afvalstoffenheffing over de belastingjaren 2018 t/m 2022;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 11,11;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 88,89;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 49 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in aanwezigheid van R.P.H. Bukkems, griffier, op 15 mei 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.