ECLI:NL:RBZWB:2024:396
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken machtiging en gronden in belastingzaak
In deze zaak gaat het om het beroep van belanghebbende tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2019. Het beroep is ingesteld door een gemachtigde namens belanghebbende, maar zonder dat een machtiging is overgelegd waaruit blijkt dat deze gemachtigde bevoegd is om het beroep in te stellen.
De rechtbank heeft belanghebbende en diens gemachtigde bij brief verzocht om binnen vier weken de ontbrekende machtiging en de gronden van beroep aan te leveren. Dit verzoek is herhaald via een aangetekende brief. Ondanks deze verzoeken heeft de gemachtigde geen machtiging of gronden ingediend, noch een verontschuldiging voor het verzuim gegeven.
De rechtbank oordeelt dat het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en het bestreden besluit van de inspecteur van de belastingdienst in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging en gronden, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.