Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene werd beboet voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder dat een duidelijk zichtbare gehandicaptenparkeerkaart achter de voorruit lag. Betrokkene voerde aan dat de kaart wel in het voertuig aanwezig was, zij het niet zichtbaar, en dat de feitcode onjuist was omdat iets onzichtbaars niet gefotografeerd kan worden. De officier van justitie stelde dat de kaart niet duidelijk zichtbaar was, waardoor controle onmogelijk was, maar erkende de geldigheid van de kaart en verzocht om matiging van de boete.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging bewezen is omdat de kaart niet duidelijk zichtbaar was, waardoor de verbalisant de geldigheid niet kon controleren. Wel achtte de kantonrechter aannemelijk dat een geldige kaart aanwezig was, wat reden gaf om de boete te matigen tot €30,- plus €9,- administratiekosten. Matiging tot nihil werd afgewezen omdat betrokkene verantwoordelijk blijft voor de zichtbaarheid van de kaart.
De beslissing van de officier van justitie werd gewijzigd en het teveel betaalde bedrag van €320,- aan zekerheidstelling moet worden terugbetaald. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter M. Breeman op 15 mei 2024 en is niet vatbaar voor hoger beroep.
Uitkomst: De boete voor het parkeren zonder duidelijk zichtbare gehandicaptenparkeerkaart is gematigd tot €30,- plus €9,- administratiekosten.