De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde de beroepen van belanghebbende tegen de aanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2019. De inspecteur had de aanslagen en belastingrentebeschikking gehandhaafd, maar de rechtbank stelde vast dat het premie-inkomen en het premiedeel van de heffingskortingen te hoog waren vastgesteld.
Belanghebbende woonde in 2019 in Duitsland en had een fiscale partner. Hij ontving Nederlandse inkomsten vanaf april 2019 en Duitse inkomsten volgens een inkomensverklaring. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet kon worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige omdat hij niet voldeed aan het 90%-criterium: slechts 79,25% van zijn wereldinkomen was in Nederland belast. Ook op grond van het Unierecht had hij geen recht op persoonlijke tegemoetkomingen, mede omdat hij onvoldoende gegevens over het gezinsinkomen had verstrekt.
De rechtbank volgde de inspecteur in het verminderen van het premie-inkomen tot € 19.806 en het premiedeel van de heffingskortingen tot respectievelijk € 1.191 (algemene heffingskorting) en € 1.923 (arbeidskorting). De aanslag Zvw werd verminderd tot nihil. De belastingrentebeschikking werd dienovereenkomstig aangepast. De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond, vernietigde de uitspraken op bezwaar en bepaalde dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moest vergoeden.