Op 7 januari 2024 schoot verdachte met een vuurwapen in het been van aangever tijdens een conflict. De rechtbank oordeelde dat niet bewezen is dat verdachte opzet had op de dood van aangever, waardoor hij werd vrijgesproken van poging tot doodslag. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde op zwaar lichamelijk letsel, waardoor hij werd veroordeeld voor poging tot zware mishandeling.
De verdediging voerde noodweerexces en psychische overmacht aan, stellende dat verdachte in paniek handelde vanwege een bedreigend conflict en een dreigende situatie bij zijn woning. De rechtbank verwierp deze verweren omdat geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en onvoldoende bewijs voor psychische druk die handelen rechtvaardigde. Verdachte had de politie kunnen inschakelen en koos bewust voor confrontatie met een geladen wapen.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van negen maanden op, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Hierbij werd rekening gehouden met het eerdere wapenbezit van verdachte en het risico op herhaling binnen het conflict. De voorlopige hechtenis werd in mindering gebracht op de onvoorwaardelijke straf.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Middelburg op 12 juni 2024.