Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Bergen op Zoom, bestaande uit een belastingbedrag en bijkomende kosten. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de aanslag.
De rechtbank heeft het beroep op 29 maart 2024 behandeld, waarbij de gemachtigde van belanghebbende aanwezig was, maar de heffingsambtenaar afwezig bleef. De rechtbank beoordeelde of het kostenbesluit, dat de kosten van naheffingsaanslagen begroot op € 510.200 verdeeld over 7.500 aanslagen, in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen.
De rechtbank concludeerde dat de werkelijke kosten per naheffingsaanslag (€ 68,03) vrijwel overeenkomen met het in rekening gebrachte bedrag (€ 68,05), waarbij de minimale overschrijding van 0,034% als verwaarloosbaar werd beschouwd. Daarom is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en blijft deze gehandhaafd.
Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten omdat het beroep ongegrond is verklaard. De uitspraak is gedaan door rechter M.M. Dondorp-Loopstra op 12 juni 2024 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.