Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
- het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoeker diende twee verzoeken in tot schadevergoeding wegens de invordering van zijn rijbewijs in december 2020 en het opmaken van een onjuist cannabisrapport. Hij vorderde vergoeding van immateriële schade en misgelopen loon. De rechtbank stelde vast dat de strafzaak tegen verzoeker nog niet was afgerond, met een geplande behandeling op 15 februari 2024.
Op grond van artikel 164 lid 9 WVW Pro en artikel 530 Sv Pro kan een vergoeding alleen worden toegekend indien de strafzaak is geëindigd zonder veroordeling of bij seponering. Omdat de strafzaak nog loopt, oordeelde de rechtbank dat de verzoeken te vroeg waren ingediend.
Verzoeker was opgeroepen voor de raadkamerzitting maar verscheen niet. De rechtbank verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk in beide verzoeken. Tegen deze beslissing kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoeken tot schadevergoeding omdat de strafzaak nog niet is afgerond.