ECLI:NL:RBZWB:2024:412

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 januari 2024
Publicatiedatum
26 januari 2024
Zaaknummer
RK 23-014253
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 36b SrArt. 552f SvArt. 552d Sv
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring klaagschrift tegen beslaglegging personenauto wegens vermoedelijke THC-overtreding

Klager diende een klaagschrift in tegen het beslag op zijn personenauto, stellende dat hij eigenaar is en dat het beslag disproportioneel is vanwege de hoge waarde van de auto en het geringe strafrechtelijk belang. Hij voerde aan dat hij uiteindelijk heeft meegewerkt aan een bloedonderzoek waaruit een minimale THC-overschrijding bleek.

De rechtbank oordeelde dat het klaagschrift ontvankelijk is vanwege de overgelegde uitslag van het bloedonderzoek als nieuw feit. Bij de beoordeling volgde de rechtbank vaste jurisprudentie dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag kan rechtvaardigen indien het veiligstellen van bewijs of het voorkomen van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de orde is.

Uit het dossier blijkt dat klager wordt verdacht van het aanvankelijk weigeren van een bloedproef en het rijden met een te hoge THC-waarde. Gezien zijn strafblad en de ernst van de feiten acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de auto verbeurd zal worden verklaard. De taxatiewaarde van € 2.500,- wordt als betrouwbaar beschouwd. Het beslag wordt daarom proportioneel geacht en het klaagschrift ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het klaagschrift tegen het beslag op de personenauto wordt ongegrond verklaard en het beslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
rk.nummer: 23-014253
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager]
geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. R.A.H. van Huijgevoort, advocaat te Tilburg op het adres Tivolistraat 30, 5017 HR Tilburg
hierna te noemen: klager.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 11 januari 2023 onder klager in beslag is genomen: een personenauto van het Volkswagen, type Polo, kleur wit en voorzien van het [kenteken] (hierna te noemen: de personenauto);
  • het klaagschrift, ingediend op 6 juni 2023 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
  • het verweerschrift van het Openbaar Ministerie en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 19 december 2023. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. T.C.M. Hendriks, klager en mr. R.A.H. van Huijgevoort, als gemachtigd raadsman van klager.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan klager. Daartoe is aangevoerd dat klager eigenaar is van de personenauto. Het strafvorderlijk belang bij het voortduren van het beslag ontbreekt. Klager heeft belang bij teruggave van de personenauto, omdat hij de auto nodig heeft voor woon-werkverkeer. Het beslag acht klager disproportioneel vanwege de hoge waarde welke de personenauto thans nog vertegenwoordigt. Ter onderbouwing overlegt klager een reactie van wijkopenautos.nl d.d. 22 mei jl. Dit bedrag staat niet in verhouding tot de te verwachten op te leggen straf in het geval klager zou worden veroordeeld. Daarnaast is door klager een bericht toegevoegd waaruit volgt dat hij uiteindelijk wel heeft meegewerkt aan een bloedonderzoek. In aanvulling heeft de raadsman in raadkamer hieraan toegevoegd dat de verkoopprijzen van personenauto’s van soortgelijk bouwjaar tussen de € 4.000,- en € 6.000,- bedragen. De door de officier van justitie aangehaalde taxatiewaarde van € 2.500,- is daarom volgens klager onjuist. De raadsman heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat uit het bloedonderzoek volgt dat er sprake is van een minimale overschrijding van de toegstane hoeveelheid THC in het bloed. Alles overwegende is klager van mening dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat een rechter later oordelend de personenauto verbeurd zal verklaren. Hij persisteert bij het verzoek tot teruggave.
De officier van justitie deelt mee dat er eerder een klaagschrift van klager over de personenauto ongegrond is verklaart. Hij stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden waardoor klager niet-ontvankelijk is in dit klaagschrift. Subsidiair is de officier van justitie van mening dat de waarde van de auto wordt gevormd door de taxatiewaarde van € 2.500,-. Hij is van mening dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat er een verbeurd verklaring zal volgen en verzoekt het klaagschrift ongegrond te verklaren.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
De rechtbank is van oordeel dat de overgelegde uitslag van het bloedonderzoek kan worden aangemerkt als novum. Zij is daarom van oordeel dat klager ontvankelijk is in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379 (https://www.navigator.nl/document/id12ee88abfa644cd3861417ec5b4d9cda?anchor=id-3b75fcf8-2685-4550-92bf-b6a83e564b80)).
Uit het raadkamerdossier volgt dat klager wordt verdacht van het weigeren van een bloedproef. Na de vordering van de politie mee te werken aan een bloedonderzoek is hij weggereden. Hoewel uit de stukken van klager volgt dat hij kennelijk uiteindelijk alsnog een bloedproef heeft ondergaan, doet dit niet af aan het feit dat een rechter - naar het zich op dit moment laat aanzien- later oordelend de aanvankelijke weigering zal moeten beoordelen en daarnaast waarschijnlijk het rijden met de geconstateerde, te hoge, hoeveelheid THC in het bloed. Bovendien blijkt uit het strafblad van klager dat hij eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Het is de rechtbank bekend dat taxatiewaardes van inbeslagggenomen goederen worden bepaald door deskundigen. Zij ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de taxatiewaarde die is aangedragen door het Openbaar Ministerie. De rechtbank gaat in haar beoordeling uit van de taxatiewaarde van het voertuig van € 2.500,-. De rechtbank realiseert zich dat dit een substantieel bedrag betreft. Gelet op de ernst van de (combinatie van) de feiten waarvan klager wordt verdacht in samenhang bezien met het strafblad is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter later oordelend de personenauto verbeurd zal verklaren en is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van het beslag ook proportioneel is.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv Pro gelegde beslag ongegrond verklaren.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 16 januari 2024 gegeven door mr. A.L. Hoekstra, rechter, in tegenwoordigheid van J.van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).