ECLI:NL:RBZWB:2024:414

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 januari 2024
Publicatiedatum
26 januari 2024
Zaaknummer
BRE 23/2083
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:24 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken machtiging in belastingzaak

In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om een beroep van belanghebbende tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting en de daarbij opgelegde boete over het derde kwartaal van 2022. De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk is.

De kern van het geschil is dat het beroepschrift is ingediend door een persoon die verklaart voor zichzelf in beroep te komen, terwijl de bestreden beslissing gericht is aan een andere belanghebbende. Er is geen machtiging overgelegd waaruit blijkt dat de indiener bevoegd is om namens de andere belanghebbende op te treden. De rechtbank heeft meerdere malen verzocht om een machtiging of bewijs van vertegenwoordiging, maar dit is niet geleverd.

De rechtbank concludeert dat het ontbreken van een machtiging niet verontschuldigbaar is en verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Hierdoor blijft het bestreden besluit ongewijzigd van kracht en wordt het beroep niet inhoudelijk behandeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging om namens een ander op te treden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/2083

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

De inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 17 februari 2023. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 1 juli 2022 tot en met 30 september 2022 met [aanslagnummer] F.01.2270 en de daarbij opgelegde boete.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat [belanghebbende sub 1] geen machtiging heeft ingediend en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die ook namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij ook namens die ander beroep mag instellen. [1] Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [2]
Is een machtiging overgelegd?
4. Het beroepschrift is ingediend door [belanghebbende sub 1] . Hij vermeldt daarin dat hij voor zichzelf in beroep komt. De uitspraak op bezwaar is echter gericht aan ‘ [belanghebbende] ’. Bij het beroepschrift is geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij ook gemachtigd is om het beroep in te stellen namens [belanghebbende sub 2] . De rechtbank heeft bij brieven van 4 april 2023, 12 mei 2023 en 19 juni 2023 [belanghebbende sub 1] verzocht om in ieder geval een machtiging te overleggen. Hierop heeft [belanghebbende sub 1] gereageerd dat hij een machtiging niet nodig acht omdat hij als betrokkene bij het samenwerkingsverband zelf procedeert.
5. De rechtbank heeft hem bij brief van 26 juli 2023 nogmaals verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen en om een machtiging te overleggen die is ondertekend door [belanghebbende sub 2] of documenten (zoals een uittreksel uit het kadaster) te overleggen waaruit volgt dat sprake is van een goederengemeenschap waarin [belanghebbende sub 1] deelgenoot is waardoor hij bevoegd is de gemeenschap te vertegenwoordigen.
6. [belanghebbende sub 1] heeft binnen die termijn een afschrift van zijn aangifte inkomstenbelasting overgelegd waarin staat dat [belanghebbende sub 2] zijn partner is. Er is echter geen machtiging ingediend, noch een bewijs dat [belanghebbende sub 1] deelgenoot is in een goederengemeenschap met [belanghebbende sub 2] .
Is het niet tijdig indienen van een machtiging verontschuldigbaar?
7. [belanghebbende sub 1] heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. In het afschrift van de aangifte inkomstenbelasting staat dat [belanghebbende sub 2] de partner is van [belanghebbende sub 1] , maar dat wil nog niet zeggen dat [belanghebbende sub 1] daarmee gemachtigd is om ook namens [belanghebbende sub 2] te mogen procederen. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 26 januari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.