Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verdere verloop van de procedures
2.De feiten
[datum] 2017 overleden.
29 maart 2024 (in de zaak met zaaknummer C/02/414734 / JE RK 23-1790) tot
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 15 mei 2024 twee zaken betreffende een minderjarige die sinds 2018 bij pleegouders woont. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader wegens bedreiging van de ontwikkeling van het kind en onvoldoende draagkracht van de vader.
Na aanvullend onderzoek concludeerde de Raad dat het belang van het kind gediend is met beëindiging van het gezag en benoeming van een onafhankelijke gecertificeerde instelling als voogd. De vader heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt maar is nog niet in staat de volledige zorg te dragen. De relatie tussen vader en pleegouders is gespannen, wat het contact bemoeilijkt.
De rechtbank oordeelde dat het perspectief van de minderjarige bij de pleegouders ligt en dat de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing bij de vader is verstreken. De beëindiging van het gezag biedt duidelijkheid en rust voor het kind. De voogdij wordt toegekend aan Stichting Jeugdbescherming Brabant. Het resterende verzoek tot verlenging van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen wegens gebrek aan belang.
Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de vader wordt beëindigd en Stichting Jeugdbescherming Brabant benoemd tot voogd; het verzoek tot verlenging van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen.