Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 24 juni 2024 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin zijn aanvraag voor een WIA-uitkering per 30 oktober 2021 werd geweigerd. Het bezwaar van eiser was eerder gegrond verklaard, waarna het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld op 42,62%. De rechtbank heeft dit beroep inhoudelijk behandeld.
De medische beoordeling is gebaseerd op rapporten van een arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b), die eiser hebben onderzocht en diens dossier hebben bestudeerd, inclusief informatie van zijn behandelaar, een klinisch psycholoog/psychotherapeut. De functionele beperkingen zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 9 november 2021. Eiser stelde dat hij parttime zou moeten werken en dat het advies van zijn behandelaar zwaarder mee moest wegen, maar de rechtbank vond het medisch onderzoek zorgvuldig en het oordeel van de verzekeringsarts b&b juist.
De arbeidsdeskundige van het UWV heeft functies geselecteerd die passen bij de belastbaarheid van eiser, te weten productiemedewerker industrie, receptionist en productiemedewerker textiel. De rechtbank volgt het UWV in de keuze van deze functies en de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van het inkomen dat eiser met deze functies kan verdienen.
Omdat eiser geen gegronde bezwaren tegen de berekening heeft ingebracht, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Dit betekent dat de vaststelling van 42,62% arbeidsongeschiktheid per 30 oktober 2021 juist is en dat eiser geen proceskostenvergoeding of griffierecht ontvangt.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de vaststelling van 42,62% arbeidsongeschiktheid per 30 oktober 2021.