ECLI:NL:RBZWB:2024:423

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 januari 2024
Publicatiedatum
26 januari 2024
Zaaknummer
BRE 23/3998
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht bij bezwaar WOZ-waarde en heffingen

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn pand en de daarbij opgelegde aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing. De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting omdat het griffierecht niet is betaald, wat een vereiste is volgens de Algemene wet bestuursrecht.

De griffier heeft belanghebbende meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €50 en de termijn waarbinnen dit moest gebeuren. Ondanks deze aanmaningen heeft belanghebbende het griffierecht niet voldaan en geen geldige reden gegeven voor het niet betalen.

Belanghebbende stelde dat hij niet hoefde te betalen omdat de gemeente dit niet had medegedeeld en dat de heffingsambtenaar het griffierecht namens hem moest betalen. De rechtbank oordeelt dat deze argumenten geen geldige reden vormen om het griffierecht niet te betalen.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en blijft het bestreden besluit ongewijzigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen kunnen binnen zes weken verzet aantekenen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/3998

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

en

De heffingsambtenaar van de gemeente Goirle, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 5 juli 2023. Het beroep ziet op de bij beschikking krachtens de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde van het pand [adres] te ( [postcode] ) [plaats] met [aanslagnummer] alsmede de gelijktijdig opgelegde aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van Pro de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 50,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.
Heeft belanghebbende het griffierecht tijdig betaald?
4. De griffier heeft belanghebbende bij brief van 2 augustus 2023 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 31 augustus 2023 belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 2 september 2023 om 13:28 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend.
5. Belanghebbende heeft het griffierecht niet (op tijd) betaald.
Is het niet (tijdig) betalen verontschuldigbaar?
6. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Belanghebbende is het er niet mee eens dat hij griffierecht moet betalen. Op advies van de gemeente en de rechtsmiddelverwijzing in de uitspraak op bezwaar is belanghebbende in beroep gegaan bij de rechtbank. Aan belanghebbende is door de gemeente niet medegedeeld dat hij dan griffierecht van € 50,- is verschuldigd. Belanghebbende heeft aangegeven dat hij het griffierecht niet gaat betalen, en dat hij vindt dat de heffingsambtenaar dat namens hem moet doen. Aan belanghebbende is bij brief van 7 augustus 2023 medegedeeld dat de indiener van het beroep griffierecht is verschuldigd [1] . De door belanghebbende genoemde gang van zaken kan niet worden aangemerkt als een geldige reden waarom belanghebbende het griffierecht niet hoeft te betalen. In de vervolgcorrespondentie is de waarschuwing gegeven dat als het griffierecht niet binnen de gestelde termijn wordt betaald het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Belanghebbende heeft het griffierecht niet betaald en er is geen (aanvullende) verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 26 januari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.