ECLI:NL:RBZWB:2024:4247
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning met diverse bijgebouwen en een perceel van 1.082 m2. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2021 vast op €465.000 en legde de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2022 op. Belanghebbende voerde bezwaar aan tegen de waarde en stelde een lagere waarde van €415.000 voor.
De rechtbank toetste de waardebepaling aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen in de buurt en rond de waardepeildatum werden gebruikt. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix en hield rekening met de gedateerde staat van de woning via een negatieve correctiepost. Belanghebbende verscheen niet op de zitting.
De rechtbank oordeelde dat de gebruikte referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren en dat de correcties voor de staat van de woning adequaat waren toegepast. Het beroep slaagde daarom niet en de WOZ-waarde en aanslag OZB bleven gehandhaafd. Belanghebbende kreeg geen vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en de aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde van €465.000 blijft gehandhaafd.