Eisers maakten bezwaar tegen het door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vastgestelde bedrag dat zij maandelijks moesten aflossen voor een terugvordering van onverschuldigd betaalde AIO-aanvulling. De SVB had de aflossingscapaciteit vastgesteld op basis van het inkomen, inclusief een Turks pensioen, en de beslagvrije voet conform de geldende regelgeving.
De rechtbank oordeelde dat de SVB het inkomen uit het Turkse pensioen correct had vastgesteld, maar dat de toepassing van artikel 4, tweede lid, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen onjuist was. De Centrale Raad van Beroep had kort tevoren geoordeeld dat deze bepalingen ernstige motiveringsgebreken bevatten en niet als grondslag kunnen dienen voor terugvorderingen bij AOW-gerechtigden.
Omdat de SVB de volledige aflossingscapaciteit had benut, wat in strijd is met deze jurisprudentie, werd het beroep gegrond verklaard. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg de SVB op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het griffierecht aan eisers vergoed.