Belanghebbende is eigenaar van twee kantoorobjecten in het centrum van een plaats, waarvan de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2021 was vastgesteld door de heffingsambtenaar. Belanghebbende betwistte de waardering, onder meer vanwege de locatieclassificatie en de invloed van het coronavirus op de huurmarkt.
De rechtbank oordeelt dat de waardebepaling op basis van de huurwaardekapitalisatiemethode correct is toegepast. De objecten zijn gelegen op een A-locatie, zoals ook blijkt uit de vergelijkingsobjecten, en de taxateur heeft rekening gehouden met relevante factoren zoals leegstand en huurkortingen. De stelling dat het coronavirus de waarde heeft gedrukt, is onvoldoende onderbouwd.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Wel kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe van €100 wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer negen maanden. Deze vergoeding wordt verdeeld tussen de heffingsambtenaar en de Staat. Daarnaast worden proceskosten en griffierecht deels vergoed aan belanghebbende.