ECLI:NL:RBZWB:2024:4369

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 juni 2024
Publicatiedatum
27 juni 2024
Zaaknummer
BRE 23/3587
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h AWRArt. 28 AWR
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag omzetbelasting na volledige tegemoetkoming inspecteur

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2019. De inspecteur had de aanslag verminderd, maar een bedrag van €4.613 bleef in geschil. Tijdens de beroepsprocedure kwam de inspecteur alsnog volledig aan belanghebbende tegemoet en gaf aan het bedrag van €4.613 in het verkeerde tijdvak te hebben gecorrigeerd.

De rechtbank behandelde het beroep op 11 juni 2024 en stelde vast dat de inspecteur het beroep volledig had gegrond verklaard. De naheffingsaanslag werd daarom verminderd tot €31.082, inclusief een overeenkomstige vermindering van de belastingrentebeschikking.

Omdat de inspecteur in de beroepsfase volledig tegemoet was gekomen, werd het beroep gegrond verklaard en moest de inspecteur het griffierecht en de proceskosten van belanghebbende vergoeden. De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €1.750 voor de beroepsfase, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de naheffingsaanslag wordt verminderd met €4.613, met veroordeling van de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/3587

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] , gevestigd in [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. J. Linssen),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 23 juni 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting van € 35.802 opgelegd met [aanslagnummer] .F.01.9301 (de naheffingsaanslag) en gelijktijdig daarmee belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. Hij heeft daarbij de naheffingsaanslag verminderd tot € 35.695 en de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee verminderd.
1.3.
Per e-mail van 10 juni 2024 om 16:34 uur heeft de inspecteur de rechtbank bericht dat hij alsnog volledig aan belanghebbende tegemoetkomt en heeft hij zich afgemeld voor de zitting (zie 2.1 hierna). Deze e-mail is in cc ook aan de gemachtigde gestuurd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, [naam] , bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

2. Het in beroep betwiste bedrag van de naheffingsaanslag bedraagt € 4.613. Voor het overige wordt de naheffingsaanslag, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, door belanghebbende niet betwist. Tegen de belastingrentebeschikking heeft belanghebbende geen afzonderlijke gronden aangevoerd.
2.1.
Op de dag voorafgaand aan de zitting heeft de inspecteur de rechtbank als volgt bericht:
“Geachte heer, mevrouw,
Ik wil u hierbij mededelen dat ik tot de conclusie ben gekomen dat we abusievelijk het in geschil zijnde bedrag van € 4.613 in het verkeerde tijdvak (vierde kwartaal 2019) hebben gecorrigeerd. De overige bedragen van de naheffingsaanslag omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019 zijn wel in het juiste tijdvak nageheven (deze bedragen zijn niet in geschil). Het beroep dient gegrond verklaard te worden.
De naheffingsaanslag over het vierde kwartaal 2019 zal met een bedrag van € 4.613 verminderd worden en vervolgens zullen we dit bedrag en eventuele andere relevante bedragen met betrekking tot de onderhavige kwestie over het juiste tijdvak corrigeren. Dit is ook zojuist besproken met de gemachtigde van belanghebbende.
Wij als belastingdienst zullen morgen niet aanwezig zijn bij de zitting. De wederpartij gaf zojuist te kennen wel te willen verschijnen.”
2.2.
De rechtbank stelt naar aanleiding van voornoemde e-mail vast dat de inspecteur volledig aan belanghebbendes beroep is tegemoetgekomen. Zoals de inspecteur heeft voorgesteld zal het beroep gegrond worden verklaard en zal de naheffingsaanslag met € 4.613 worden verminderd.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond. Omdat de inspecteur in de beroepsfase alsnog volledig aan belanghebbende is tegemoetgekomen, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Belanghebbende heeft in bezwaar niet gevraagd om vergoeding van haar kosten, zodat alleen voor de beroepsfase een proceskostenvergoeding wordt toegekend. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.750 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 31.082 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.750 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H.M. van Ooijen, griffier, op 25 juni 2024. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [1]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.