Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2024 waarbij de minister de aanvraag tot aanpassing van een bemanningscertificaat afwees. Zij verzocht tevens om een voorlopige voorziening. Op 21 mei 2024 gaf de minister alsnog een aangepast bemanningscertificaat af, waarbij de eis dat ten minste één bemanningslid in het bezit moet zijn van een geldig certificaat werd geschrapt.
Hierdoor trok verzoekster haar verzoek om voorlopige voorziening in, met het verzoek de minister te veroordelen in de proceskosten. De voorzieningenrechter besloot zonder zitting over de proceskostenveroordeling. Uit het aangepaste certificaat bleek dat de minister aan het verzoek was tegemoetgekomen.
De voorzieningenrechter veroordeelde de minister in de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 875,- voor rechtsbijstand, en tevens tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 371,-. De uitspraak werd gedaan op 28 juni 2024 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.