Uitspraak
1.[gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres vordert dat gedaagden worden bevolen de takken van bomen en beplanting die vanuit hun tuin overhangen boven haar perceel, te snoeien. Zij stelt dat de overhangende takken haar beplanting beletten voldoende zonlicht en regenwater te ontvangen, wat onrechtmatige hinder oplevert. Gedaagden weigeren te snoeien en beroepen zich op artikel 5:44 BW Pro, dat eiseres zelf het recht geeft de takken te snoeien.
De rechtbank oordeelt dat artikel 5:44 BW Pro geen grondslag biedt om gedaagden te verplichten tot snoeien, maar slechts om eiseres zelf toe te staan de takken te verwijderen na aanmaning. Ook artikel 5:21 BW Pro in samenhang met 5:44 BW biedt geen basis voor een gebod tot snoeien. Er is onvoldoende gesteld en gebleken dat de overhangende takken zodanige hinder veroorzaken dat sprake is van onrechtmatige situatie in de zin van artikel 6:162 BW Pro.
De rechtbank weegt mee dat de tuinen ruim zijn opgezet, de takken zich op grote hoogte bevinden, en eiseres zelf bouwwerken heeft geplaatst die snoeien bemoeilijken. Gedaagden lieten de bomen tot de aanwijzing als waardevolle houtopstand regelmatig snoeien. Het misbruik van recht door eiseres wordt door de rechtbank verworpen omdat het snoeiverbod niet absoluut is. De vordering wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot het snoeien van overhangende takken wordt afgewezen wegens ontbreken van onrechtmatige hinder.