Belanghebbende werd aangeslagen voor een belastbaar inkomen uit werk en woning van €971.950 en een inkomensafhankelijke bijdrage Zvw van €55.927 over 2019, inclusief een vergrijpboete van 50% en belastingrente. De inspecteur baseerde de aanslagen mede op een vermeend resultaat uit overige werkzaamheden van €242.987 uit een drugslaboratorium waarbij belanghebbende betrokken was en waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld.
Belanghebbende had te laat een onjuist aangiftebiljet ingediend en werd meerdere malen aangemaand om aangifte te doen als buitenlands belastingplichtige, wat hij niet heeft gedaan. De rechtbank oordeelt echter dat het te laat indienen van het onjuiste biljet geen reden is voor omkering en verzwaring van de bewijslast, omdat de inspecteur met de beschikbare informatie rekening heeft gehouden en de woonplaats van belanghebbende niet relevant is.
De rechtbank vindt onvoldoende feiten en omstandigheden om het vermeende resultaat uit het drugslaboratorium aan belanghebbende toe te rekenen. De enkele betrokkenheid is onvoldoende bewijs voor het opgelegde inkomen. Daarom vermindert de rechtbank de aanslagen IB/PVV en Zvw naar nihil, vernietigt de vergrijpboete en belastingrentebeschikking en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.