ECLI:NL:RBZWB:2024:4481
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen aanslag inkomstenbelasting 2018 bevestigd
Belanghebbende diende bezwaar in tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2018, specifiek gericht op de box 3-heffing. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na dagtekening van de aanslag was ontvangen. Belanghebbende kon niet aantonen dat het bezwaar tijdig was ingediend, terwijl voor de jaren 2017 en 2019 wel tijdig bezwaar was aangetekend.
De rechtbank oordeelde dat de aanslag op 23 januari 2020 was opgelegd en dat de bezwaartermijn derhalve op 24 januari 2020 begon en op 5 maart 2020 eindigde. Het bezwaarschrift dat op 8 september 2022 door de inspecteur werd ontvangen, was dus niet tijdig ingediend. De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende dat de termijnoverschrijding zou moeten worden geaccepteerd vanwege deelname aan een massaalbezwaarprocedure en de disproportionele impact van niet-ontvankelijkheid.
De rechtbank stelde vast dat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat belanghebbende geen bewijs heeft geleverd dat de termijnoverschrijding niet aan hem kan worden toegerekend. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, de aanslag bleef in stand en belanghebbende kreeg geen proceskostenvergoeding. De procedure inzake het verzoek om ambtshalve vermindering werd aangehouden in afwachting van een massaal bezwaarplus procedure.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2018 is niet-ontvankelijk verklaard en de aanslag blijft in stand.