Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde voor 2020 oorspronkelijk werd vastgesteld op €620.000. Na bezwaar en beroep stemde de heffingsambtenaar in met een lagere waarde van €570.000. Partijen bereikten een compromis over de WOZ-waarde en proceskosten.
Belanghebbende verzocht daarnaast om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateerde dat de redelijke termijn van twee jaar werd overschreden met circa 29 maanden. De vergoeding werd vastgesteld op €50 per half jaar overschrijding, resulterend in een totaal van €250.
De overschrijding van de bezwaarfase (ongeveer 4 maanden) werd toegerekend aan de heffingsambtenaar, terwijl de rest voor rekening van de Staat kwam. De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van €34,48 en de Staat tot €215,52 aan immateriële schadevergoeding. Tevens werd het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende toegewezen.
De uitspraak vernietigt de eerdere uitspraak op bezwaar, vermindert de WOZ-waarde en past de aanslag onroerendezaakbelastingen aan. De rechtbank betreurt de vertraging in de procedure en wijst op de mogelijkheid tot hoger beroep.