ECLI:NL:RBZWB:2024:4546
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroepen tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2018 en 2019
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2018 en 2019. De inspecteur had de aanslagen bij uitspraak op bezwaar verminderd tot nihil en de belastingrente dienovereenkomstig aangepast.
De rechtbank heeft beoordeeld of het verzamelinkomen hoger moet worden vastgesteld, of het verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase terecht is afgewezen en of belanghebbende recht heeft op een (immateriële)schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat het verzamelinkomen niet hoger kan worden vastgesteld omdat belanghebbende daardoor niet in een betere fiscale positie komt, en dat het verzoek om kostenvergoeding terecht is afgewezen omdat geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden en verletkosten niet vergoed worden.
Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af, omdat zij onbevoegd is ten aanzien van het bezwaar tegen de afwijzing van schadevergoeding door de inspecteur en het beroep ongegrond is. Ook het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de termijn nog niet is verstreken.
De beroepen worden ongegrond verklaard, de aanslagen en beschikkingen zoals vastgesteld door de inspecteur blijven in stand, en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 worden ongegrond verklaard en verzoeken om kosten- en schadevergoeding worden afgewezen.