De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 3 juli 2024 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van de verkoop en het bezit van ongeveer 39,4 gram cocaïne. De feiten betreffen de periode van 24 juni 2022 tot en met 24 april 2023. De officier van justitie stelde dat verdachte samen met een ander cocaïne verkocht en verstrekte vanuit een woning.
De verdediging erkende het dealen vanaf eind 2022, maar betwistte de volledige periode. De rechtbank oordeelde op basis van verklaringen van verdachte, een getuige en camerabeelden dat de verkoop gedurende de gehele periode wettig en overtuigend bewezen was. Verdachte werd vrijgesproken van wat meer of anders was ten laste gelegd.
De rechtbank hield rekening met het feit dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit was veroordeeld, maar wel in proeftijd verkeerde tijdens de bewezenverklaarde periode. Gezien de ernst van de drugshandel en de maatschappelijke gevolgen legde de rechtbank een taakstraf van 240 uur op, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.
De straf heeft tot doel verdachte te ontmoedigen om in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer onder voorzitterschap van mr. A.B. Scheltema Beduin.