Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB). De heffingsambtenaar verlaagde de waarde naar €824.000 en kende proceskostenvergoeding toe. Belanghebbende stelde beroep in tegen deze uitspraak op bezwaar.
Tijdens de beroepsprocedure bereikten partijen een compromis waarbij de WOZ-waarde verder werd verlaagd naar €795.000 en een aanvullende proceskostenvergoeding werd overeengekomen. De rechtbank bekrachtigde dit compromis en verklaarde het beroep gegrond.
Daarnaast maakte belanghebbende aanspraak op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar voor de afhandeling van het bezwaar. De rechtbank stelde vast dat de termijn met ongeveer een maand was overschreden en kende een schadevergoeding van €50 toe.
Ook werd de vergoeding van proceskosten voor het verzoek om immateriële schadevergoeding toegekend. De heffingsambtenaar werd veroordeeld tot betaling van €1.713,75 aan proceskosten en het griffierecht van €51. De uitspraak werd gedaan door rechter M.M. Dondorp-Loopstra op 26 juni 2024.