ECLI:NL:RBZWB:2024:4561

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juli 2024
Publicatiedatum
3 juli 2024
Zaaknummer
11033959 CV EXPL 24-1725
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Zander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BWArt. 3:37 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling factuur en proceskosten in incassoprocedure tandartsbehandeling

Infomedics vordert betaling van een factuur van €21,94 voor een tandartsbehandeling, vermeerderd met rente en incassokosten, van de gedaagde. Hoewel de gedaagde de behandeling heeft ondergaan en de factuur verschuldigd is, heeft zij betalingen verricht na dagvaarding. Infomedics erkent gedeeltelijke betaling, maar vordert daarnaast proceskosten.

De gedaagde voert verweer dat zij de aanmaningsbrieven niet heeft ontvangen en betwist de verschuldigdheid van proceskosten. De rechtbank stelt vast dat Infomedics de veertiendagenbrief niet aangetekend heeft verzonden, waardoor niet kan worden bewezen dat deze is ontvangen. Dit leidt tot afwijzing van de vordering voor incassokosten.

De wettelijke rente wordt deels toegewezen over de periode dat de factuur onbetaald was. De reeds gedane betalingen worden eerst toegerekend aan kosten en rente, waardoor de hoofdsom en rente voor de eerste roldatum zijn voldaan. Omdat de gedaagde niet tijdig betaalde, was dagvaarding gerechtvaardigd, maar het ontbreken van een eerdere aankondiging leidt tot compensatie van proceskosten.

De rechtbank wijst de vorderingen van Infomedics af, bepaalt dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van Infomedics af en compenseert de proceskosten tussen partijen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11033959 \ CV EXPL 24-1725
Vonnis van 3 juli 2024
in de zaak van
INFOMEDICS B.V., M.H.O.D.N. INFOMEDICS FACTORING, UWNOTA.NL, DFA SERVICES EN INFOMEDICS DFA,
te Almere,
eisende partij,
hierna te noemen: Infomedics ,
gemachtigde: [gemachtigde 1] ,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: [gemachtigde 2] .

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- het extract audiëntieblad van de rolzitting van 10 april 2024 met het antwoord van [gedaagde] en producties
- de akte van Infomedics met productie
- het extract audiëntieblad van de rolzitting van 5 juni 2024 met het antwoord van [gedaagde] .
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1
Infomedics vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 64,28, vermeerderd met rente en kosten.
2.2
Infomedics heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] een behandeling bij de tandarts heeft ondergaan, op grond waarvan zij gehouden is de factuur van 4 oktober 2023 ten bedrage van € 21,94 te betalen. De tandarts heeft de vordering aan Infomedics gecedeerd. [gedaagde] heeft de factuur, ondanks sommatie daartoe, onbetaald gelaten, zodat [gedaagde] buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00 en wettelijke rente van € 2,34 verschuldigd is. Infomedics erkent dat bedragen van € 64,28 en € 62,21 zijn voldaan, maar deze betalingen zijn gedaan na de dagvaarding van 11 maart 2024, zodat [gedaagde] naast de hoofdsom ook de proceskosten verschuldigd is.
2.3
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Infomedics, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Infomedics in de kosten van deze procedure. [gedaagde] heeft zodra zij kennis had van de dagvaarding betalingen verricht. Zij heeft via haar begeleider contact gezocht met de deurwaarder, de tandarts en Infomedics om deze procedure te voorkomen. [gedaagde] heeft de door Infomedics gestuurde brieven niet gezien. Zij heeft Infomedics verzocht om een overzicht maar dit niet ontvangen. [gedaagde] betwist dat zij de proceskosten verschuldigd is.
2.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] de door Infomedics op 4 oktober 2023 gefactureerde tandartsbehandeling heeft ondergaan en daarvoor een bedrag van € 21,94 was verschuldigd. De verschuldigdheid van de factuur staat daarmee vast.
3.2.
Op 19 maart 2024, voor de eerste roldatum, heeft [gedaagde] een bedrag van € 64,28 aan Infomedics betaald en op 21 maart 2024 nog een bedrag van € 62,21. Infomedics heeft daarnaast aangegeven dat [gedaagde] op 7 april 2024 nog een betaling van € 40,00 heeft verricht. Uit de stellingen van partijen over en weer begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] deze betalingen heeft verricht ter voldoening van de hoofdsom en de buitengerechtelijke kosten. Op grond van artikel 6:44 lid 1 BW Pro moeten betalingen eerst worden toegerekend aan de gemaakte kosten, daarna aan de vervallen rente en tot slot aan de hoofdsom. Daarom moet nu eerst beoordeeld worden of [gedaagde] een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten en/of wettelijke rente aan Infomedics verschuldigd is.
3.3.
Infomedics maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00. Zij stelt dat zij aan [gedaagde] de veertiendagenbrief in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW Pro op 11 november 2023 heeft gestuurd. [gedaagde] heeft aangegeven dat zij de veertiendagenbrief niet heeft gezien. Gelet op dit verweer had het op de weg van Infomedics gelegen om nader (met stukken) te onderbouwen dat [gedaagde] de veertiendagenbrief heeft ontvangen. Vast staat dat Infomedics de veertiendagenbrief niet aangetekend heeft verzonden. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat deze brief daadwerkelijk door [gedaagde] is ontvangen en er dus aan het vereiste van artikel 3:37 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan. De gevolgen van haar (kennelijke) keuze om brieven per gewone post, en niet aangetekend, te versturen dienen voor rekening en risico van Infomedics te komen. Gelet hierop zal dit onderdeel van de vordering dus worden afgewezen.
3.4.
Infomedics vordert wettelijke rente. De wettelijke rente tot 29 februari 2024 wordt voor een bedrag van € 0,46 toegewezen, omdat [gedaagde] de factuur niet op tijd heeft betaald. De factuur is op 4 oktober 2023 verzonden met een betaaltermijn van 30 dagen. [gedaagde] heeft niet binnen de termijn van 30 dagen betaald en is dus in verzuim geraakt. Zij is daarom op grond van artikel 6:119 BW Pro wettelijke rente verschuldigd over de tijd dat zij met de betaling van de factuur in verzuim is geweest. Volgens de factuur diende [gedaagde] slechts een bedrag van € 21,94 aan Infomedics te voldoen, zodat [gedaagde] enkel over dit bedrag de wettelijke rente verschuldigd is.
3.5.
Correcte toepassing van artikel 6:44 lid 1 BW Pro leidt gelet op voorgaande tot de conclusie dat de verschenen wettelijke rente en de hoofdsom voor de eerste roldatum aan Infomedics zijn voldaan. Nu Infomedics heeft nagelaten om haar vordering te verminderen, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.
3.6.
Met betrekking tot de proceskosten geldt dat op grond van de wet de in het ongelijk gestelde partij moet worden veroordeeld in de kosten. Nu [gedaagde] ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding de hoofdsom niet had betaald, is zij terecht gedagvaard en komen deze kosten in beginsel voor haar rekening. Dit kan anders zijn als zij rauwelijks – dus zonder eerdere aankondiging – is gedagvaard. Indien dit het geval is, leidt dit tot compensatie van de proceskosten. De kantonrechter heeft hierboven onder 3.3 vastgesteld dat niet vast is komen staan dat [gedaagde] een aanmaning ontving. Daarmee staat ook niet vast dat sprake is van een eerdere aankondiging van de procedure. Dat leidt tot het oordeel dat de proceskosten worden gecompenseerd.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
wijst de vorderingen van Infomedics af,
4.2
bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten dient te dragen,
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2024.