De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 26 juni 2024 uitspraak gedaan in een zaak over de verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor negen maanden, omdat de ontwikkelingsbedreiging nog niet volledig was weggenomen. De minderjarige woont bij de moeder, die het ouderlijk gezag heeft, terwijl de vader het kind erkend heeft en betrokken is bij het leven van het kind.
Tijdens de mondelinge behandeling werd duidelijk dat de minderjarige sinds september 2023 deels naar school en een zorgboerderij gaat en speltherapie volgt om traumatische ervaringen te verwerken. Er zijn verbeteringen in de omgang tussen de ouders en het contact tussen vader en kind wordt begeleid opgebouwd. De GI benadrukte dat de positieve ontwikkelingen nog pril zijn en dat de ondertoezichtstelling nodig blijft om de hulpverlening en regie voort te zetten.
De moeder erkende de vooruitgang maar ervaart de ondertoezichtstelling als belastend en stelde voor de maatregel kort te verlengen met een borgingsplan. De vader steunde de verlenging vanwege de noodzaak van voortzetting van begeleiding en toezicht. De kinderrechter oordeelde dat de wettelijke criteria voor verlenging zijn vervuld, omdat de bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarige nog steeds aanwezig is en de GI een belangrijke rol blijft spelen.
De ondertoezichtstelling is daarom verlengd van 27 juni 2024 tot 27 maart 2025 en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.