AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige in pleeggezin
De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die verblijft bij pleegouders. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar de minderjarige is op basis van een eerdere beschikking in pleegzorg geplaatst. De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt om verlenging van beide maatregelen voor twee maanden om het traject af te ronden en een warme overdracht naar het vrijwillig kader te realiseren.
Tijdens de mondelinge behandeling, waarbij de minderjarige haar mening schriftelijk kenbaar maakte, waren naast de moeder en pleegouders ook vertegenwoordigers van de GI en de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig. De moeder stemt in met de verlenging en bevestigt de goede band met de pleegouders. De pleegouders benadrukken het belang van een duidelijke overweging over het opvoedbesluit, mede vanwege de loyaliteit van de minderjarige aan haar moeder.
De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke criteria van artikel 1:255 BWPro is voldaan en dat verlenging noodzakelijk is. De minderjarige heeft intensieve traumatherapie gevolgd en positieve ontwikkelingen doorgemaakt. Het contact met de vader is verbeterd en de minderjarige voelt zich prettig bij de pleegouders. Hoewel het basisvertrouwen nog aandacht vraagt, is het vertrouwen gegroeid. De rechtbank kan geen inhoudelijk oordeel geven over het opvoedbesluit maar erkent het belang van partijen om dit in de beschikking te betrekken.
De beschikking verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van 1 juni 2024 tot 1 augustus 2024 en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad. De schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 7 juni 2024. Hoger beroep is mogelijk via het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 1 augustus 2024.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/421072 / JE RK 24-614
datum uitspraak: 24 mei 2024
beschikking van de kinderrechter over verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),
betreffende
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 in [plaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de moeder,
[pleegouders] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de pleegouders.
De kinderrechter merkt als informant aan:
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad.
Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van
25 maart 2024, ingekomen bij de griffie op 2 april 2024.
Op 24 mei 2024 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Op deze mondelinge behandeling zijn verschenen:
- de moeder;
- de pleegouders;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
[minderjarige] is gelet op haar leeftijd in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken tijdens een gesprek met de kinderrechter. [minderjarige] heeft ervoor gekozen een brief te schrijven aan de kinderrechter.
De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 17 mei 2023 is de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor het laatst verlengd met ingang van 1 juni 2023 tot 1 juni 2024.
[minderjarige] verblijft op basis van genoemde machtiging tot uithuisplaatsing bij de pleegouders.
Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van twee maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin te verlengen voor de duur van twee maanden. De GI verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het standpunt van verzoeker
De GI geeft aan dat het belangrijk is dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd. De afgelopen tijd is er aan de doelen gewerkt. De bezoeken tussen vader en [minderjarige] zijn gecontinueerd. [minderjarige] beleeft veel plezier aan deze bezoeken en zij wil graag de bezoeken van vader en moeder gelijk trekken. Op dit moment is vader opnieuw in therapie. Als deze therapie is afgerond dan wil hij de bezoeken met [minderjarige] graag uitbreiden. Verder heeft er op 23 december 2022 een eindgesprek plaatsgevonden met [praktijk] . In dit eindgesprek is aangegeven dat [minderjarige] veel ontwikkeling heeft doorgemaakt door de inzet van de hechting bevorderende traumabehandeling. Zij heeft het nog wel nodig om bevestiging te krijgen van haar omgeving. Het derde doel is nog niet volledig behaald. [minderjarige] heeft er meer vertrouwen in gekregen dat zij mag opgroeien bij haar pleegouders, maar het basisvertrouwen hierin is nog onvoldoende. Op 2 april 2024 heeft de GI een pedagogisch opvoedbesluit genomen. Dit besluit houdt in dat niet meer kan of moet worden toegewerkt aan een thuisplaatsing van [minderjarige] . De moeder geeft ook haar (emotionele) toestemming dat [minderjarige] bij de pleegouders mag blijven. De GI vindt het belangrijk dat de kinderrechter een overweging wijdt aan het genomen opvoedbesluit. Op die manier krijgt [minderjarige] extra bevestiging. Ook kunnen de moeder en de pleegouders deze beschikking als leidraad nemen op het moment dat [minderjarige] in de toekomst mogelijk twijfels krijgt en de moeder en de pleegouders tegen elkaar probeert uit te spelen. Ten slotte is een overweging over het opvoedbesluit ook belangrijk voor de goede onderlinge verstandhouding tussen de moeder en de pleegouders. De GI zal de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing gebruiken om de beëindiging van de ondertoezichtstelling door de Raad te laten toetsen en een warme overdracht naar het vrijwillig kader te realiseren.
Het standpunt van de moeder
Op de mondelinge behandeling heeft de moeder aangegeven dat [minderjarige] op haar plek is bij de pleegouders. De moeder heeft ook een goede band met hen en wordt goed op de hoogte gehouden. Zij ziet [minderjarige] een keer in de vier weken en dan gaan zij iets leuks doen. Ook ziet zij [minderjarige] extra op speciale dagen, zoals haar verjaardag, Moederdag en oudjaar. De moeder stemt in met een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing.
Het standpunt van de pleegouders
De pleegouders bevestigen dat het vertrouwen van de moeder in hen is gegroeid. Het is voor haar een lange weg geweest om te kunnen accepteren dat [minderjarige] bij de pleegouders opgroeit. De pleegouders vinden het ook belangrijk dat de kinderrechter iets aangeeft over de inhoud van het opvoedbesluit, onder meer omdat [minderjarige] ontzettend loyaal is richting de moeder.
Het standpunt van de Raad
Op de mondelinge behandeling heeft de Raad partijen gecomplimenteerd met de weg die zij samen hebben afgelegd. De Raad constateert dat iedereen achter een verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing staat, omdat deze verlenging nodig is voor een warme overdracht. Verder geeft de Raad aan dat zij het opvoedbesluit niet toetsen, maar dat zij de behoefte begrijpt dat hierover in de beschikking een overweging wordt opgenomen.
De beoordeling
Op basis van de stukken en de toelichting op de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat aan de wettelijke criteria van artikel 1:255 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk.
In de afgelopen periode is er door iedereen veel werk verricht. [minderjarige] heeft intensieve traumatherapie gehad en binnen deze therapie een grote ontwikkeling doorgemaakt. Ook aan het contact tussen [minderjarige] en vader is verder gewerkt. Naast bel- en videobelmomenten heeft [minderjarige] ook fysieke ontmoetingen gehad met haar vader. [minderjarige] beleeft veel plezier aan deze bezoeken. Verder is het vertrouwen van [minderjarige] dat zij bij haar pleegouders mag blijven verder gegroeid, maar dit blijft een aandachtspunt. De kinderrechter gunt het de moeder en de pleegouders dat het traject goed wordt afgehecht, zodat er een goede overdracht kan plaatsvinden naar het vrijwillig kader. Hiervoor is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing nog nodig. In haar beoordeling betrekt de kinderrechter ook dat [minderjarige] in haar brief heeft aangegeven het fijn te hebben bij de pleegouders en daar te willen blijven wonen.
Voor wat betreft de inhoud van het opvoedbesluit overweegt de rechtbank dat zij op grond van rechtspraak van de Hoge Raad hierover geen inhoudelijk oordeel kan geven. Echter, de kinderrechter begrijpt ook het belang van partijen om in deze beschikking hierover iets terug te lezen. Het is voor de kinderrechter duidelijk dat niet meer wordt gewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige] en dat de moeder hierachter staat. De kinderrechter ziet ook het belang van [minderjarige] dat zij op zal groeien binnen het pleeggezin. Het gaat goed met haar en de samenwerking tussen de moeder en de pleegouders is goed. Dit zijn positieve aanwijzingen die in lijn zijn met de inhoud van het opvoedbesluit.
De beslissing
De kinderrechter
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 1 juni 2024 tot 1 augustus 2024;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg van 1 juni 2024 tot 1 augustus 2024;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling en in het openbaar gegeven op 24 mei 2024 door
mr. Benjaddi, kinderrechter, en in aanwezigheid van mr. Hurkmans.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 7 juni 2024.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het