Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
rechtbank: grote) mes nog steeds vast had toen hij vanuit de [straat 3] naar [medeverdachte] en [slachtoffer] toerende, maar hij zou het net voor de plek van het geweld hebben weggegooid. Dit laatste acht de rechtbank ongeloofwaardig. Nadat [medeverdachte] al was weggelopen, is op de camerabeelden namelijk te horen dat [slachtoffer] naar [verdachte] roept ‘kom met die mes’ en dat [verdachte] terugroept: ‘kankermongool, ik zweer het ik steek je dood’. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] op dat moment het mes nog steeds vast had.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De benadeelde partij
.Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het onder 1 primair ten laste gelegde feit;
een gevangenisstraf van 270 (tweehonderdzeventig) dagen, waarvan 112 (honderdtwaalf) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
bijzondere voorwaarden:
voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen met kracht heeft/hebben geschopt en/of geslagen en/of meermalen in het been
heeft/hebben gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;