Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
rechtbank: grote) mes nog steeds vast had toen hij naar [verdachte] en [slachtoffer] toerende, maar hij zou het net voor de plek van het geweld hebben weggegooid. Dit laatste acht de rechtbank ongeloofwaardig. Nadat [verdachte] al was weggelopen, is op de camerabeelden namelijk te horen dat [slachtoffer] naar [medeverdachte] roept ‘kom met die mes’ en dat [medeverdachte] terugroept: ‘kankermongool, ik zweer het ik steek je dood’. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [medeverdachte] op dat moment het mes nog steeds vast had.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De benadeelde partij
.Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
8.Het beslag
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de onder 1 primair en 4 ten laste gelegde feiten;
een gevangenisstraf van 270 (tweehonderdzeventig) dagen, waarvan 39 (negenendertig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
bijzondere voorwaarden:
voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen met kracht heeft/hebben geschopt en/of geslagen en/of meermalen in het been
heeft/hebben gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
namelijk een nabootsing van een pistool van het merk CZ-10 PF, voorhanden gehad;
bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.