Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.[verzoeker 1],
[verzoeker 2],
[verzoeker 3],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De erfgenamen van de overledene, gezamenlijk vereffenaar van de beneficiair aanvaarde nalatenschap, hebben een verzoek ingediend tot opheffing van de vereffening op grond van artikel 4:209 BW Pro. Ter onderbouwing is een vermogensbeschrijving overgelegd waaruit blijkt dat het saldo van de nalatenschap € 12.165,93 bedraagt.
De kantonrechter stelt dat de vereffeningsprocedure primair de belangen van schuldeisers beschermt en dat opheffing alleen bij uitzondering kan worden toegewezen. Gezien het saldo dat volledig opgaat aan vereffeningskosten en preferente schulden, is aannemelijk gemaakt dat voortzetting van de vereffening alleen tot oplopende kosten leidt zonder opbrengst voor overige schuldeisers.
De kantonrechter beveelt daarom de opheffing van de vereffening en stelt de reeds gemaakte kosten vast op € 10.475,58. Omdat de vereffenaar geen publicatieplicht heeft vervuld, wordt volstaan met inschrijving van de opheffing in het boedelregister. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen drie maanden via het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: De vereffening van de nalatenschap wordt opgeheven vanwege de geringe waarde van de baten die volledig opgaan aan kosten en preferente schulden.