De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 16 mei 2024 het verzoek tot verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige was sinds 7 mei 2024 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling door de onveilige thuissituatie.
De ouders hadden geen vaste woon- of verblijfplaats en accepteerden geen hulpverlening, terwijl er signalen waren van relationele problemen en mogelijke problematiek bij de vader. De ouders hadden meerdere opties om woonruimte te regelen niet benut en weigerden een laatste aanbod waarbij de moeder met de minderjarige terug kon keren naar de oorspronkelijke woonlocatie zonder de vader.
De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling onderschreven het belang van de maatregelen. De ouders stelden dat de betrokken instanties onvoldoende hadden geïnvesteerd in communicatie en dat zij per 17 mei 2024 naar een vluchtelingenverblijf zouden verhuizen, waardoor hereniging mogelijk zou zijn.
De kinderrechter oordeelde dat de wettelijke vereisten voor verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds zijn vervuld. De uitvoering van de maatregel wordt met ingang van 7 juni 2024 overgedragen aan Jeugdbescherming Noord. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 7 juni 2024 en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.