Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
), de heffingsambtenaar.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning in [plaats] met een gebruiksoppervlakte van 169 m² en een perceel van 435 m². De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde per peildatum 1 januari 2022 vastgesteld op €518.000, waarop de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023 is gebaseerd.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze vaststelling en voerde onder meer aan dat de waarde te hoog is, mede vanwege achterstallig onderhoud, gedateerde voorzieningen en omgevingsfactoren zoals verkeersherrie en windmolens. Tevens stelde hij dat de WOZ-methodiek mogelijk onjuist wordt toegepast, verwijzend naar WOZ-waarden van vergelijkbare woningen.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de waarde heeft bepaald via de vergelijkingsmethode met drie voldoende vergelijkbare woningen in de nabijheid, waarbij rekening is gehouden met verschillen in onderhoud en voorzieningen. De rechtbank acht de toegepaste factoren en onderbouwing voldoende en verwerpt de bezwaren over omgevingsfactoren omdat deze zijn verdisconteerd in de vergelijkingsprijzen.
Het overzicht van belanghebbende met WOZ-waarden van andere woningen leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze woningen niet (nagenoeg) identiek zijn en de waarde wordt bepaald op basis van verkopen rond de waardepeildatum. Het beroep tegen de aanslag OZB bevat geen zelfstandige gronden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard.