Uitspraak
1.De procedure
- de akte van [eiser] ,
- de antwoordakte van [gedaagde] .
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De eiser heeft in opdracht van de gedaagde stichting werkzaamheden verricht en hiervoor acht facturen verzonden met een totaalbedrag van €14.475,00. Ondanks herinneringen en sommatie heeft de gedaagde niet volledig betaald. Na onderzoek bleek dat €10.905,00 was voldaan, zodat een bedrag van €3.570,00 openstond.
De gedaagde stelde dat de facturen niet voldaan hoefden te worden omdat deze niet maandelijks waren gefactureerd en verwees naar algemene voorwaarden die niet van toepassing bleken te zijn. Ook voerde zij aan dat een dubbele betaling had plaatsgevonden, maar kon dit niet bewijzen.
De rechtbank oordeelde dat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn en dat de betalingsverplichting blijft bestaan ongeacht de factureringstermijn. De wettelijke handelsrente is verschuldigd vanaf 30 dagen na ontvangst van de facturen, dus vanaf 22 mei 2021. De buitengerechtelijke incassokosten zijn gematigd tot €583,22, berekend over het openstaande bedrag. De proceskosten worden vastgesteld op €1.188,85.
De rechtbank veroordeelde de gedaagde tot betaling van het openstaande bedrag, rente, incassokosten en proceskosten. Een verzoek tot betalingsregeling dient de gedaagde rechtstreeks met eiser te bespreken, aangezien de rechter deze niet kan opleggen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €3.570,00 met rente vanaf 22 mei 2021, incassokosten en proceskosten.