ECLI:NL:RBZWB:2024:4854

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 juli 2024
Publicatiedatum
15 juli 2024
Zaaknummer
24/5234 en 24/5235
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 231 GemeentewetInvorderingswet 1990
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd inzake beslag op salaris en betalingsregeling belastingaanslagen

Verzoekster heeft op 24 juni 2024 een verzoek ingediend tot het opheffen van het beslag op haar salaris en het treffen van een betalingsregeling voor openstaande belastingaanslagen. De voorzieningenrechter beoordeelt dat de Invorderingswet 1990 van toepassing is en dat de rechter in belastingzaken niet bevoegd is om te oordelen over beslissingen van de ontvanger met betrekking tot invordering, zoals het leggen van beslag of het sturen van een dwangbevel.

Daarnaast is de voorzieningenrechter niet bevoegd om een betalingsregeling te treffen; verzoekster dient dit bij de ontvanger aan te vragen en bij een geschil kan de civiele rechter worden benaderd. De voorzieningenrechter verklaart zich daarom kennelijk onbevoegd om het verzoek te behandelen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoekschrift door te sturen naar de civiele rechter, mede vanwege onduidelijkheid over de noodzaak van advocaatvertegenwoordiging in een civiele procedure. De uitspraak is gedaan op 12 juli 2024 en is openbaar gemaakt zonder mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het salarisbeslag en de betalingsregeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5234 en 24/5235

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juli 2024 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,

en

de ontvanger van Belastingsamenwerking West- Brabant, de ontvanger.

Inleiding

1. Op 24 juni 2024 heeft verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bovenstaande zaaknummers zijn aangemaakt door de griffie van de rechtbank, maar het betreft één verzoek.
1.1.
Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter om het beslag op haar salaris op te heffen en een betalingsregeling van belastingaanslagen te treffen.

Karakter voorlopige voorziening

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, ook wel bodemprocedure genoemd, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Daarbij gelden als voorwaarden dat tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit een bezwaar- of beroepsprocedure loopt (vereiste van connexiteit) en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. [1] Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.
2.1.
De voorzieningenrechter kan uitspaak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. [2] De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

De beoordeling

3. De ontvanger heeft aan verzoekster een dwangbevel ( [subjectnummer] ) gestuurd en vervolgens beslag gelegd op het salaris van verzoekster om nog openstaande belastingaanslagen ( [aanslagnummer 1] en [aanslagnummer 2] ) te innen.
3.1.
De Invorderingswet 1990 is van toepassing op de beslissingen van de ontvanger over invordering van gemeentelijke belastingen. [3]
3.2.
De rechter in belastingzaken is niet bevoegd te oordelen over de beslissingen van de ontvanger over de invordering van belastingaanslagen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter in belastingzaken ook niet mag oordelen over de beslissing van de ontvanger om een dwangbevel aan verzoekster te sturen en beslag te leggen op het salaris van verzoekster. Tegen deze beslissingen van de ontvanger kan verzoekster uitsluitend een vordering bij de civiele rechter instellen.
3.3.
Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter om een betalingsregeling omdat zij de belastingaanslagen niet ineens kan betalen. De belastingrechter is niet bevoegd om een betalingsregeling te treffen. Daarvoor moet verzoekster een verzoek doen bij de ontvanger. Bij een geschil daarover kan verzoekster een vordering instellen bij de civiele rechter.
3.4.
De voorzieningenrechter verklaart zich daarom kennelijk onbevoegd.
3.5.
De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding gezien om het verzoekschrift door te sturen naar de civiele rechter. Voor een procedure bij de civiele rechter is, in een aantal gevallen, vertegenwoordiging door een advocaat verplicht. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om te beoordelen of dit ook in dit geval zo is.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 12 juli 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
3.Artikel 231 van Pro de Gemeentewet.