ECLI:NL:RBZWB:2024:4980
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen toepassing eigenwoningvrijstelling op schenking door overgangsrecht Successiewet
Belanghebbende ontving in 2019 een schenking van zijn vader ten behoeve van de eigen woning en deed hiervoor aangifte met toepassing van de eigenwoningvrijstelling. De inspecteur wees deze vrijstelling af op grond van artikel 82a van de Successiewet, omdat belanghebbende in 2011 reeds een verhoogde vrijstelling had toegepast.
De rechtbank bevestigt dat het overgangsrecht in artikel 82a Successiewet toepassing vindt en verhindert dat belanghebbende opnieuw gebruik kan maken van de eigenwoningvrijstelling. De wetgever heeft dit beoogd om uitvoeringslasten te beperken en een consistente fiscale toepassing te waarborgen.
Belanghebbende stelde dat deze toepassing onredelijk is en in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het discriminatieverbod. De rechtbank oordeelt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat de regeling binnen die marge valt. De inspecteur handelde conform de wet zonder beleidsvrijheid, waardoor geen sprake is van schending van bestuursrechtelijke beginselen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de aanslag schenkbelasting blijft in stand en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter Beukers-van Dooren op 18 juli 2024.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de eigenwoningvrijstelling niet kan worden toegepast op de schenking uit 2019.