Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
2.De feiten
€ 4.000,00 afgelost en uit het bouwdepot € 14.516,12 betaald.
3.Het geschil en de beoordeling
€ 169,50
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser heeft in de periode oktober 2021 tot en met juni 2022 werkzaamheden verricht en materialen geleverd aan gedaagde, waarvoor vijf facturen zijn gestuurd met een totaalbedrag van €20.487,63. Ondanks betalingsherinneringen en een betalingsregeling, waarbij een deel van de schuld is afgelost, resteert nog een bedrag van €6.082,85.
De procedure omvatte een tussenvonnis en een mondelinge behandeling, waarbij gedaagde niet is verschenen of vertegenwoordigd. Eiser heeft zijn vordering verminderd tot het resterende bedrag en de wettelijke handelsrente vanaf 1 december 2023 gevorderd.
De kantonrechter oordeelt dat gedaagde geen verweer heeft gevoerd en veroordeelt hem tot betaling van het resterende bedrag en de rente. Tevens worden de proceskosten aan de zijde van eiser toegewezen, waarbij een deel van het griffierecht ten onrechte te hoog is vastgesteld en voor rekening van eiser komt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €6.082,85 plus wettelijke handelsrente en proceskosten.