ECLI:NL:RBZWB:2024:5015

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juli 2024
Publicatiedatum
19 juli 2024
Zaaknummer
10842718 CV EXPL 23-3346
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van der Lende-Mulder Smit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 237 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling resterende factuurbedragen en wettelijke handelsrente toegewezen

Eiser heeft in de periode oktober 2021 tot en met juni 2022 werkzaamheden verricht en materialen geleverd aan gedaagde, waarvoor vijf facturen zijn gestuurd met een totaalbedrag van €20.487,63. Ondanks betalingsherinneringen en een betalingsregeling, waarbij een deel van de schuld is afgelost, resteert nog een bedrag van €6.082,85.

De procedure omvatte een tussenvonnis en een mondelinge behandeling, waarbij gedaagde niet is verschenen of vertegenwoordigd. Eiser heeft zijn vordering verminderd tot het resterende bedrag en de wettelijke handelsrente vanaf 1 december 2023 gevorderd.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde geen verweer heeft gevoerd en veroordeelt hem tot betaling van het resterende bedrag en de rente. Tevens worden de proceskosten aan de zijde van eiser toegewezen, waarbij een deel van het griffierecht ten onrechte te hoog is vastgesteld en voor rekening van eiser komt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €6.082,85 plus wettelijke handelsrente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 10842718 \ CV EXPL 23-3346
Vonnis van 17 juli 2024
in de zaak van
[eiser],
handelend onder de naam [handelsnaam 1],
wonende te [plaats 1],
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde],
handelend onder de naam [handelsnaam 2],
wonende te [plaats 2],
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 januari 2024;
- de mondelinge behandeling van 2 april 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
[gedaagde] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen of vertegenwoordigd.
1.3.
Ten slotte heeft de kantonrechter vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft in de periode oktober 2021 t/m juni 2022 in opdracht van [gedaagde] verschillende werkzaamheden verricht en materialen geleverd. Hij heeft daarvoor aan [gedaagde] vijf facturen gestuurd die in totaal € 20.487,63 bedragen.
2.2.
Op 1 september 2022 heeft de accountant van [eiser], [accountant], een betalingsherinnering gestuurd aan [gedaagde]. Op 19 september 2022, 29 september 2022 en 11 oktober 2022 heeft [gerechtsdeurwaarder] nogmaals verzocht om betaling.
2.3.
Op 24/25 oktober 2022 is tussen partijen een betalingsregeling tot stand gekomen. Partijen hebben afgesproken dat de factuur van € 14.516,28 wordt betaald vanuit een bouwdepot en dat de rest wordt afgelost met € 500,00 per maand. [gedaagde] heeft
€ 4.000,00 afgelost en uit het bouwdepot € 14.516,12 betaald.

3.Het geschil en de beoordeling

3.1.
[eiser] vordert in de dagvaarding de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 20.598,97, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 20.487,63 vanaf 1 december 2023, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Ter zitting heeft [eiser] erkend dat van de gevorderde hoofdsom, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente berekend tot 1 december 2023 na betaling van - in totaal - € 18.516,12, nog € 6.082,85 resteert. [eiser] heeft zijn vordering tot dat bedrag verminderd.
3.2.
Tegen deze vordering heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd. De kantonrechter zal hem daarom veroordelen tot betaling van dit bedrag van € 6.082,85. Ook wijst de kantonrechter de gevorderde wettelijke handelsrente toe vanaf 1 december 2023, nu [eiser] daartoe voldoende heeft aangevoerd en [gedaagde] niet heeft betwist dat hij deze rente is verschuldigd.
Proceskosten
3.3.
Omdat [gedaagde] de overwegend in het ongelijk gestelde partij is, wordt hij veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten).
3.4.
[eiser] heeft € 693,00 aan griffierecht betaald. Dat bedrag is gebaseerd op de hoogte van de vordering zoals deze in de dagvaarding is vermeld, zijnde een bedrag van € 20.598,97. In deze zaak bleek dat [gedaagde] al voordat hij werd gedagvaard € 15.571,95 had afgelost. Daarmee bedroeg de vordering ten tijde van de dagvaarding niet € 20.598,97 maar € 9.027,02 (€ 24.598,97‬ aan hoofdsom, rente en incassokosten - € 15.571,95 aan aflossingen vòòr 4 december 2023) te vermeerderen met de op dat moment verschenen rente. Op basis daarvan zou een bedrag van € 244,00 aan griffierecht zijn geheven. De kantonrechter zal het verschil van € 449,00 aan meer geheven griffierecht op grond van artikel 237, eerste lid, laatste volzin, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor rekening van [eiser] laten, aangezien deze kosten nodeloos zijn gemaakt. Dat leidt ertoe dat de proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 110,03
- griffierecht € 244,00
- salaris gemachtigde € 678,00 (2 punten x € 339,00 per punt)
- nakosten
€ 169,50
totaal € 1.201,53

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 6.082,85, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de afzonderlijke, nog openstaande, factuurbedragen, vanaf 1 december 2023 tot aan de dag van algehele betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 1.201,53, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2024.